googleb22ff19820e4ba6e.html googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 93  ‘Wer nur den lieben Gott lässt walten'

Petruskerk, 9 maart 2014 / 10 november 2019

1. Koor

Wer nur den lieben Gott lässt walten

Und hoffet auf ihn allezeit,

Den wird er wunderlich erhalten
In allem Kreuz und Traurigkeit.

Wer Gott, dem Allerhöchsten, traut,
Der hat auf keinen Sand gebaut.

 

2. Koraal en recitatief (bas)

Was helfen uns die schweren Sorgen?

Sie drücken nur das Herz
Mit Zentnerpein,
Mit tausend Angst und Schmerz.
Was hilft uns unser Weh und Ach?
Es bringt nur bittres Ungemach.
Was hilft es, dass wir alle Morgen
Mit Seufzen von dem Schlaf aufstehn

Und mit beträntem Angesicht
Des Nachts zu Bette gehn?
Wir machen unser Kreuz und Leid
Durch bange Traurigkeit nur größer.

Drum tut ein Christ viel besser,

Er trägt sein Kreuz mit christlicher   Gelassenheit.
 

3. Aria (tenor) 


Man halte nur ein wenig stille,

Wenn sich die Kreuzesstunde naht,
Denn unsres Gottes Gnadenwille
Verlässt uns nie mit Rat und Tat.
Gott, der die Auserwählten kennt,
Gott, der sich uns ein Vater nennt,

Wird endlich allen Kummer wenden

Und seinen Kindern Hilfe senden.
 

4. Aria (Duet sopraan en alt)

Er kennt die rechten Freudenstunden,

Er weiß wohl, wenn es nützlich sei;

Wenn er uns nur hat treu erfunden

Und merket keine Heuchelei,

So kömmt Gott, eh wir uns versehn,

Und lässet uns viel Guts geschehn.

 

5. Koraal en recitatief (tenor)

Denk nicht in deiner Drangsalhitze,
Wenn Blitz und Donner kracht

Und die ein schwüles Wetter bange macht,
Dass du von Gott verlassen seist.
Gott bleibt auch in der größten Not,

Ja gar bis in den Tod

Mit seiner Gnade bei den Seinen.

Du darfst nicht meinen,
Dass dieser Gott im Schoße sitze,

Der täglich wie der reiche Mann,

In Lust und Freuden leben kann.
Der sich mit stetem Glücke speist,
Bei lauter guten Tagen,

Muss oft zuletzt,

Nachdem er sich an eitler Lust ergötzt,

'Der Tod in Töpfen' sagen.

Die Folgezeit verändert viel!

Hat Petrus gleich die ganze Nacht

Mit leerer Arbeit zugebracht

Und nichts gefangen:

Auf Jesu Wort kann er noch einen Zug   erlangen.

Drum traue nur in Armut, Kreuz und Pein
Auf deines Jesu Güte

Mit gläubigem Gemüte;

Nach Regen gibt er Sonnenschein
Und setzet jeglichem sein Ziel.
 

6. Aria (sopraan)

Ich will auf den Herren schaun

Und stets meinem Gott vertraun.
Er ist der rechte Wundermann.

Der die Reichen arm und bloß

Und die Armen reich und groß

Nach seinem Willen machen kann.


7. Slotkoor

Sing, bet und geh auf Gottes Wegen,
Verricht das Deine nur getreu
Und trau des Himmels reichem Segen,
So wird er bei dir werden neu;
Denn welcher seine Zuversicht
Auf Gott setzt, den verlässt er nicht.

‘Wer nun den lieben Gott lässt walten’ — vanaf de tijd van ontstaan behoort het tot de meest populaire kerkliederen in Duitsland. Ook in Nederland was het al gauw geliefd: ‘Wie maar de goede God laat zorgen’, heet het in vertaling; of in nog een nieuwere versie (van Sytze de Vries): ‘Wie zich door God alleen laat leiden’.

In de activistische jaren ’60 en ’70, toen — even — de wereld helemaal maakbaar leek, stond het lied bij wie zich als vooruitstrevend beschouwden onder verdenking. Ik vermoed dat ik het de eerste twee decennia van mijn domineeschap in de kerk niet of nauwelijks heb laten zingen. We vonden het lied te berustend. Het weerspreekt het geloof dat wij de wereld en het leven naar onze hand kunnen zetten; het lied neemt de tijd, het laat ons wachten. In de Bachs cantate worden we zelfs opgeroepen tot ‘Gelassenheit’, gelatenheid. In het koraal zelf komt het woord niet voor, wel in de cantatetekst, aan het eind van het eerste recitatief. ‘Gelatenheid’ geeft echter goed weer welke innerlijke houding ook in het koraal wordt bedoelt.

Al enige tijd is het begrip gelatenheid bezig met een comeback. Gelatenheid blijkt niet zo passief als we als dertig, veertig jaar terug wel meenden te weten. Gelatenheid is een belangrijk thema in de middeleeuwse christelijke mystiek. Het woord betekent ontvankelijkheid en oplettendheid tegelijk. Gelaten zijn is óók alert zijn, goed kijken waar het leven met ons naartoe wil. Lang niet alles hebben wij zelf in de hand; ingrijpende veranderingen in ons bestaan dienen zich meestal aan buiten onze planning om en tegen onze wensen in. We kunnen ons tegen wat ons overkomt verzetten, maar we verspillen dan energie aan een — vaak hopeloos — gevecht tegen de stroom in. Verstandiger is het om mee te bewegen met wat blijkbaar gebeuren moet — maar met met een helder wakkerheid, zodat we het moment herkennen dat vroeg of laat voorbij komt: de plotselinge kans om in de bedding een steen te verleggen en zo de woeste stroom een andere richting te geven. Gelatenheid is dus juist ook: op scherp staan, om op het juiste moment in actie te kunnen komen en dat wat ons over ons heen walst bij te sturen.

Zoals Petrus, naar wie deze kerk genoemd is en die in de cantate wordt vermeld als iemand die de nacht heeft beleefd: de nacht van het vergeefse (na te lezen in Lucas 5:1-11). Een hele nacht vissen heeft hem niets opgeleverd. Daarin staat hij model voor de pijnlijke ervaring van zinloosheid van de dingen waarmee wij bezig zijn. Maar na de ontregelende zinloosheid van de nacht die hij beleefde let hij op zijn Heer, hij beweegt met diens woorden mee en komt op het juiste moment in actie. Hij laat zich leiden door een waarschijnlijk ook voor hemzelf onbegrijpelijk vertrouwen. En kijk, de vergeefse nacht transformeert in een morgen van overvloed.

Let u op de stilte die is ingebouwd in het thema waarmee de aria van de tenor (3) begint. Net of het eigenlijke gebeurt juist op de momenten waarop wij ons weten in te houden. Ja, anders dan het onrustige ongeduld, bezit de gelatenheid de stille wijsheid van het vertrouwen. In de koraalcantate heet dat: vertrouwen hebben in God. Wat bedoel je, Bach, met jouw vertrouwen? Hij zou zeggen: mijn cantate zingt tegen het grillige noodlot in. Luister maar, zing zelf en —even — zul je weten: nee wij worden niet in de steek gelaten, wij worden niet meegesleurd maar opgevangen, niet verpletterd maar opgericht. 


Zowel de tekst als de melodie van het koraal zijn van Georg Neumann. Hij heeft het koraal geschreven en gecomponeerd in 1641, toen hij nog maar in het begin van zijn twintiger jaren was. Middenin de Dertigjarige Oorlog vluchtte hij voor het oorlogsgeweld uit Thüringen naar Pruisen. Hij sloot zich aan bij enkele kooplui. Onderweg werden ze overvallen en beroofd. Georg bracht het er levend vanaf en wist Hamburg te bereiken, waar hij om weer aan geld te komen een roman publiceerde. Hij vertrok naar Kiel, waar hij een barre winter beleefde vol honger en ontbering. Bij verrassing kreeg hij er een baantje als huisleraar aangeboden. Hij schrijft: ‘Dit snelle geluk, als een geschenk uit de hemel, maakte me zo innig blij dat ik nog diezelfde dag tot eer van God begon aan het lied “Wer nun den lieben Gott lässt walten”.’


In het Leipzig uit de tijd van Bach blijkt het lied enkele veranderingen te hebben ondergaan, ritmisch en melodisch. Ook in Nederland deden verschillende muzikale versies de ronde. In de kerkelijke liedboeken van de laatste decennia is de oorspronkelijke melodie hersteld. Zo komt het dat de manier waarop wij het koraal op het eind van de cantate zingen, afwijkt van wat tegenwoordig in de kerk gebruikelijk is.


Henk Gols