Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 124  ‘Meinen Jesum laß ich nicht’

Petruskerk, 12 januari 2020

1. Openingskoor 

Meinen Jesum lass ich nicht,
Weil er sich für mich gegeben,
So erfordert meine Pflicht,
Klettenweis an ihm zu kleben.
Er ist meines Lebens Licht,
Meinen Jesum lass ich nicht

 2. Recitatief (tenor) 

Solange sich ein Tropfen Blut
In Herz und Adern reget,
Soll Jesus nur allein
Mein Leben und mein alles sein.
Mein Jesus, der an mir so große Dinge tut:
Ich kann ja nichts als meinen Leib und Leben
Ihm zum Geschenke geben.

3. Aria (tenor) 

Und wenn der harte Todesschlag
Die Sinnen schwächt, die Glieder rühret,
Wenn der dem Fleisch verhasste Tag
Nur Furcht und Schrecken mit sich führet,
Doch tröstet sich die Zuversicht:
Ich lasse meinen Jesum nicht.

4. Recitatief (bas) 

Doch ach!
Welch schweres Ungemach
Empfindet noch allhier die Seele?
Wird nicht die hart gekränkte Brust
Zu einer Wüstenei und Marterhöhle
Bei Jesu schmerzlichstem Verlust?
Allein mein Geist sieht gläubig auf
Und an den Ort, wo Glaub und Hoffnung prangen,
Allwo ich nach vollbrachtem Lauf
Dich, Jesu, ewig soll umfangen.

5. Duet (sopraan en alt) 

Entziehe dich eilends, mein Herze, der Welt,
Du findest im Himmel dein wahres Vergnügen.
  Wenn künftig dein Auge den Heiland 
  erblickt,
  So wird erst dein sehnendes Herze
  erquickt,
  So wird es in Jesu zufriedengestellt.

6. Slotkoraal 

Jesum lass ich nicht von mir,
Geh ihm ewig an der Seiten;
Christus lässt mich für und für
Zu den Lebensbächlein leiten.
Selig, der mit mir so spricht:
Meinen Jesum lass ich nicht.

‘Ik zocht hem overal
maar vond hem nergens meer
ik riep de hele tijd
maar kreeg geen antwoord meer.’

Enkele regels uit de bundel ’27 liefdesliedjes’ (1971) van Judith Herzberg. Die liefdesliedjes zijn haar eigen bewerking van een poëziebundel van meer dan twee millennia oud: het schriftje adembenemende liefdespoëzie dat in de Bijbel staat, het Hooglied.
Zoeken en vinden, omarmen en missen horen bij het leven, horen bij de liefde en zeerzeker ook bij het religieuze geloven. Wat we hebben ontvangen, zijn we zomaar kwijt. Maar geloven staat voor een wonderlijk vertrouwen dat wij in ons gemis gevonden worden, dat de leegte die ons schrik aanjaagt de ruimte word waar we opnieuw ontvangen.

‘(…)
toen zag ik hem van wie
ik hou—omhelsde hem
en liet hem niet meer los’

dicht Judit Herzberg.

Het thema van missen en het niet meer loslaten klinkt ook in de cantate van vanavond, die geschreven is voor de eerste zondag in januari, waarop in de lutherse traditie wordt gelezen uit het evangelie over de pelgrimage naar Jeruzalem van Jozef en Maria met de twaalfjarige Jezus. Op de terugweg naar huis, na één dagreis, blijkt Jezus niet te zijn meegekomen. Zijn ouders keren in wanhoop naar Jeruzalem terug en zoeken hem er drie dagen lang. Drie dagen van hevig gemis. Tenslotte vinden ze Jezus in de tempel, waar hij met de schriftgeleerden in gesprek is over de Thora, de joodse Wet.

Bij deze zondag waarop dit evangelie van het grote missen klinkt, hoort in de lutherse kerk een lied, het 17e-eeuwse koraal waarvan wij in de cantate de eerste en de laatste strofe horen. De tekst van het koraal is van Christian Keyman, de melodie van Andreas Hammerschmidt. Op dit lied heeft Bach zijn cantate gemaakt. De verbinding tussen het evangelie en het lied is precies de thematiek van het kwijt zijn en het vinden.


Zowel bij kerkvaders in de vroege eeuwen van het christendom als in de middeleeuwse en nog later de lutherse mystiek is Jezus de geliefde. De geliefde die ik mis, maar die ik tenslotte vind als alle zoeken vergeefs lijkt, ‘na drie dagen’.
In de cantate wordt de grens van de dood overschreden om hem te vinden. Pas in de hemel, de grenzen van het aardse bestaan, kan ik hem, mijn liefste, omarmen.

Is die hemel niet heel ver? Moet ik dan wachten tot ik doodga? Is leven hier en nu alleen maar wachten en missen?


Welnee: moeiteloos daalt de hemel al af in Bach’s muziek. In het duet van sopraan en alt horen we niet over de hemel zingen als goedkope troost is, als vage belofte voor straks die in het dagelijks leven het gemis in stand houd, als wazig hiernamaals. De hemel lijkt meer een open venster in de wand van ons bestaan, een raam waardoor licht binnenstroomt in de kamers van ons leven, zodat wij helder zien wat zich daar nu al laat vinden. Door het slotkoor stroomt het levende water dat nu al de dorst lest. De geliefde die ik zo miste, blijkt mijn dagelijkse reisgenoot.

De hemel is wat ons zomaar overkomt. Wat we, als we alles kwijt zijn, toch ontvangen. We organiseren het niet zelf. Het komt naar ons toe — vanavond via deze cantate, waarin wat gemist wordt er in elk geval bij het zingen van het slotkoor al verrukkelijk even is.


‘(…)
toen zag ik hem van wie
ik hou—omhelsde hem
en liet hem niet meer los’


Meinen Jesum lass’ ich nicht!


Henk Gols



De cantate werd eerder uitgevoerd, in 2013. Naar aanleiding van deze uitvoering schreef de Nijmeegse stadsdichter, Marijke Hanegraaf, het volgende gedicht geschreven:


Cantate in de Petruskerk
BWV 124 Meinen Jesum lass ich nicht (zondag 13 januari 2013)


Onder de kale takken van twee platanen

schimmen auto's op het grind;
het vertrouwde overwintert. Crisis

 met warme voeten. Binnen een menigte
aan oude teksten ligt het verhaal klaar
van het kind van twaalf, voorbij het brave.

 Zijn ouders zijn hem kwijt
maar jij laat hem in het koraal niet los.
Je vouwt je stem, mag het geloven. 

 Het koor legt er een bodem onder;
muziek het huis. Je kunt je hoogte kiezen
en meezingen op sterke maten.

De tonen staan te popelen in de banken.
Boven de winterjassen stijgt het proberen op.
Zo veegt Bach langs je ogen.


januari 2013