Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 33 'Allein zu dir, Herr Jesu Christ’


Petruskerk, 10 september 2017

1. Openingskoor

Allein zu dir, Herr Jesu Christ,
Mein Hoffnung steht auf Erden;
Ich weiß, dass du mein Tröster bist,
Kein Trost mag mir sonst werden.
Von Anbeginn ist nichts erkorn,
Auf Erden war kein Mensch geborn,
Der mir aus Nöten helfen kann.
Ich ruf dich an,
Zu dem ich mein Vertrauen hab. 

2. Recitatief (bas)

Mein Gott und Richter, willst du mich aus dem Gesetze fragen,
So kann ich nicht,
Weil mein Gewissen widerspricht,
Auf tausend eines sagen.
An Seelenkräften arm und an der Liebe bloß,
Und meine Sünd ist schwer und übergroß;
Doch weil sie mich von Herzen reuen,
Wirst du, mein Gott und Hort,
Durch ein Vergebungswort
Mich wiederum erfreuen.

3. Aria (alt)

Wie furchtsam wankten meine Schritte,
Doch Jesus hört auf meine Bitte
Und zeigt mich seinem Vater an.
Mich drückten Sündenlasten nieder,
Doch hilft mir Jesu Trostwort wieder,
Dass er für mich genung getan.

4. Recitatief (tenor)

Mein Gott, verwirf mich nicht,
Wiewohl ich dein Gebot noch täglich übertrete,
Von deinem Angesicht!
Das kleinste ist mir schon zu halten viel zu schwer;
Doch, wenn ich um nichts mehr
Als Jesu Beistand bete,
So wird mich kein Gewissensstreit
Der Zuversicht berauben;
Gib mir nur aus 
Barmherzigkeit 
Den wahren Christenglauben! 
So stellt er sich mit guten Früchten ein
Und wird durch Liebe tätig sein.

5. Aria (duet tenor, bas)

Gott, der du die Liebe heißt,
Ach, entzünde meinen Geist,
Lass zu dir vor allen Dingen
Meine Liebe kräftig dringen!
Gib, dass ich aus reinem Triebe
Als mich selbst den Nächsten liebe;
Stören Feinde meine Ruh,
Sende du mir Hülfe zu!

6. Slotkoraal

Ehr sei Gott in dem höchsten Thron,
Dem Vater aller Güte,
Und Jesu Christ, sein'm liebsten Sohn,
Der uns allzeit behüte,
Und Gott dem Heiligen Geiste,
Der uns sein Hülf allzeit leiste,
Damit wir ihm gefällig sein,
Hier in dieser Zeit.
Und folgends in der Ewigkeit.

Wat is nou leven, echt leven? De vraag naar het waarachtige leven wordt gesteld in het evangelie dat in de lutherse traditie klinkt op deze zondag (de 13e na Trinitatis) en waaromheen Bach de cantate die vanavond wordt uitgevoerd heeft gecomponeerd.
Iemand die gespecialiseerd is in de joodse Wet komt naar Jezus toe en vraagt:

'Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?’ Hij sprak tot hem: ‘Hoe staat het in de Wet geschreven? Hoe lees je?’ Hij antwoordde en sprak: ‘Je zult God, je Heer, liefhebben uit heel je hart, uit heel je ziel, uit al je kracht en uit heel je verstand, en je naaste als jezelf.’ Hij sprak tot hem: Je hebt juist geantwoord; doe dat, dan zul je leven.’ (Lucas 10:25-28)

Twee dingen blijken bij elkaar te horen: Wet en liefde. En dat levert samen ‘eeuwig’, dat is echt en duurzaam leven op.
De Wet is: het heilig moeten. Een moeten echter gedragen door liefde.

Er is een banaal moeten. We moeten van alles van onszelf. We stellen eisen aan een ander. En alles wat moet stapelt zich op en verplettert ons.  Er is een dodelijk moeten. Ik moet, ik cind dat jij moet, mijn kinderen moeten… Maar zonder liefde resteert er een vreugdeloos bestaan van koude plichten.

Toch moet er wel degelijk iets. In deze wereld moet van alles. Er moet worden verzoend en geheeld en vooruitgeholpen. De ontwikkeling van de mensheid, de weg uit de barbarij — óf dat nodig is.

Maar het moeten mislukt als er niet eerst iets anders is. Als er niet eerst de aanvaarding is. Het heilig moeten dat leven oplevert wordt gedreven door liefde. Liefde die ontvangen wordt voordat er iets moet.
Voor Bach als kind van de Reformatie is het een cruciale zaak om te onderstrepen dat wij aanvaard worden zonder dat wij ergens iets van hebben terechtgebracht. In de ogen van Christus lezen wij dat wij ten diepste aanvaard worden. Dat wij door God aanvaard worden — ‘God’, het codewoord voor dat allerdiepste.

Zo dadelijk hoort u de aria van de alt. Die gáát maar door, er lijkt geen eind aan te komen. Onze aarzelende levenstocht komt er in tot uitdrukking: een leven van misstappen, van ten enenmale niet beantwoorden aan wat zou moeten. Maar Jezus blijkt ons ons bij God aan te bevelen. Zonder dat ik aan het vele moeten beantwoord, word een ja over mij uitgesproken. Dat ik niet genoeg heb gedaan, dat ik tekort ben geschoten, blijkt niet bepalend. Ergens, buiten mij, ondanks mij, is er genoeg, en uit dat genoeg dat er los van mij en liefdevol is, mag ik putten.

Ook kinderen moeten al veel. Ze moeten nog veel leren. Net als grote mensen. Maar zonder aanvaarding gaat het niet. In de aria voor het slotkoraal wervelend de stemmen als was het een dans. Er is een vrolijk, heilig moeten, dat een mógen is en danst, danst op de maat van de liefde.


Henk Gols ©


Klik hier voor een eerdere bespreking