Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 24, ‘Ein ungefärbt Gemüte’

Petruskerk, 12 juni 2016

1. Aria (alt)

Ein ungefärbt Gemüte
an teutscher Treu und Güte
macht uns vor Gott und Menschen schön.
   Der Christen Tun und Handel,
   ihr ganzer Lebenswandel
   soll auf dergleichem Fuße stehn.

2. Recitatief (tenor)

Die Redlichkeit
ist eine von den Gottesgaben.
Daß sie bei unsrer Zeit
so wenig Menschen haben,
das macht, sie bitten Gott nicht drum.
Denn von Natur geht unsers Herzens Dichten
mit lauter Bösem um;
soll’s seinen Weg auf etwas Gutes richten,
so muß es Gott durch seinen Geist regieren
und auf die Bahn der Tugend führen.
Verlangst du Gott zum Freunde,
so mache dir den Nächsten nicht zum Feinde
durch Falschheit, Trug und List.
Ein Christ
soll sich der Tauben Art bestreben
und ohne Falsche Tücke leben.
Mach aus dir selbst ein solches Bild,
wie du den Nächsten haben willt.

3. Koor

‘Alles nun, das ihr wollet,
daß euch die Leute tun sollen,
das tut ihr ihnen.’

4. Recitatief (bas)

Die Heuchelei
ist eine Brut, die Belial gehecket;
wer sich in ihre Larve stecket,
der trägt des Teufels Liberei.
Wie? lassen sich denn Christen
dergleichen auch gelüsten?
Gott sei’s geklagt! die Redlichkeit ist teuer.
Manch teuflisch Ungeheuer
sieht wie ein Engel aus:
Man kehrt den Wolf hinein,
den Schafspelz kehrt man raus.
Wie könnt es ärger sein?
Verleumden, Schmähn und Richten,
Verdammen und Vernichten
ist überall gemein.
So geht es dort, so geht es hier.
Der liebe Gott behüte mich dafür!

5. Aria (tenor)

Treu und Wahrheit sei der Grund
aller deiner Sinnen;
wie von außen Wort und Mund,
sei das Herz von innen.
Gütig sein und tugendreich,
macht uns Gott und Engeln gleich.

6. Koraal

O Gott, du frommer Gott,
du Brunnquell aller Gaben,
ohn den nichts ist, was ist,
von dem wir alles haben,
gesunden Leib gib mir,
und daß in solchem Leib
ein unverletzte Seel
und rein Gewissen bleib.

Van een heldere directheid zijn de woorden van Jezus in het evangelie over aan ándere manier waarop je je tot de medemens zou kunnen verhouden. In het evangelie van Matteüs klinken die woorden vanaf een berg: de Bergrede (Matteüs 5-7). In het evangelie van Lucas klinken ze in het vlakke land (6:17-49):


Heb je vijanden lief, doe goed en leen geld aan anderen zonder iets terug te verwachten…Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is.Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden.Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden.Vergeef, dan zal je vergeven worden.Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt…Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt…?


Van deze heldere eenvoudige woorden heeft de tekstdichter van de cantate van vanavond een barokke moralistische preek gemaakt. De tekstschrijver is Erdmann Neumeister (1671 - 1756). Geloven heeft voor hem bijzonder te maken met de juiste leer en de juiste praktijk. Het zit bij hem nogal in het hoofd, niet zo in het hart.
Toch is zijn tekst opmerkelijk actueel. Hij gaat te keer tegen wat vandaag veel te veel gebeurt: de oplichterij, het beschuldigen en beschimpen, het verwensen en kapotmaken en wegzetten van elkaar. Ik en jij dat tegen elkaar wordt uitgespeeld.

Had Bach geen betere tekst voorhanden voor de cantate die hij in Leipzig op de zondag met die prachtige eenvoudige woorden van Jezus moest componeren? Waarom de belerende theatrale taal van Erdmann Neumeister? In Weimar had Bach bij hetzelfde evangelie de tekst gebruikt van Salomon Franck: wat een verschil in sfeer! Bij Franck stroomt de taal als vurige liefde (BWV 185).

Maar Bach maakt ook van ergerlijk moralisme ontroerende muziek.

Hij kan in elk geval goed uit de voeten met de wel heel evenwichtig opgebouwde, concentrische structuur van Neumeisters tekst. Precies in het midden staat wat kennelijk is bedoeld als samenvatting van Jezus’ ethiek:


Alles nu wat u wilt
dat de mensen voor u doen,
doet u hun evenzo.

(Matteüs 7:12, uit de Bergrede)


Bach maakt van die centrale tekst een indrukwekkend en veelstemmig binnenkoor. Deze woorden zijn werkelijk ‘alles’: alle stemmen, alle instrumenten klinken. Eerst allemaal tegelijk, vervolgens na en door elkaar in een majestueuze fuga. (Voor de details, lees de beschrijving van Eduard van Hengel.) 

De cantate wordt afgesloten met de eerste strofe van een lied van Johann Heermann (1585-1647). Heermann is een totaal ander mens dan tekstschrijver Erdmann Neumeister. Het verlies van zijn eerste vrouw was het begin van een verder leven van ziekte en andere persoonlijke tegenspoed. Bovendien leefde hij ten tijde van de allergruwelijkste Dertigjarige Oorlog. Johann Heermann leefde echter vanuit de bron die God is. Zijn teksten verraden een hang naar mystiek. Middeleeuws mystiek gedachtegoed geeft hij een plek in een eigentijdse poëtische vormgeving. Niet het beleren maar het beleven was voor hem belangrijk. Zijn liederen hebben een diepe, melancholische toon.
Bach heeft de diepte in het lied van Johann Heermann herkend.

Door de toevoeging van de strofe van het lied van Johann Heermann is het in één keer uit met elk belerend en belastend moralisme. Nieuw en oorspronkelijk met elkaar opgaan is geen opgave die teveel gevraagd is. Het blijkt een mogelijkheid die geschonken wordt. Op het eind van het slotkoraal verrijst een integer mens, gezond van lijf en geest. Die mens komt voort uit de bron waaruit de heldere en eenvoudige woorden van Jezus voortkomen en waaruit Bach put voor zijn muziek.


Henk Gols