Website Henk Gols

Cantate 156, ‘Ich steh mit einem Fuß im Grabe’

Petruskerk, 14 februari 2016

1. Sinfonia 

2. Aria (tenor) en koraal (sopranen)

Ich steh mit einem Fuß im Grabe, / Machs mit mir, Gott, nach deiner Güt,/ Bald fällt der kranke Leib hinein, / Hilf mir in meinen Leiden, / Komm, lieber Gott, wenn dirs gefällt, / Was ich dich bitt, versag mir nicht./ Ich habe schon mein Haus bestellt, / Wenn sich mein Seel sollmscheiden, / So nimm sie, Herr, in deine Händ. / Nur lass mein Ende selig sein! / Ist alles gut, wenn gut das End.

3. Recitatief (bas) 

Mein Angst und Not,
Mein Leben und mein Tod
Steht, liebster Gott, in deinen Händen;
So wirst du auch auf mich
Dein gnädig Auge wenden.
Willst du mich meiner Sünden wegen
Ins Krankenbette legen,
Mein Gott, so bitt ich dich,
Lass deine Güte größer sein als die Gerechtigkeit;
Doch hast du mich darzu versehn,
Dass mich mein Leiden soll verzehren,
Ich bin bereit,
Dein Wille soll an mir geschehn,
Verschone nicht und fahre fort,
Lass meine Not nicht lange währen;
Je länger hier, je später dort.

4. Aria (alt)

Herr, was du willt, soll mir gefallen,
Weil doch dein Rat am besten gilt.
    In der Freude,
    In dem Leide,
    Im Sterben, in Bitten und Flehn
    Lass mir allemal geschehn,
    Herr, wie du willt.

5. Recitatief (bas)

Und willst du, dass ich nicht soll kranken,
So werd ich dir von Herzen danken;
Doch aber gib mir auch dabei,
Dass auch in meinem frischen Leibe
Die Seele sonder Krankheit sei
Und allezeit gesund verbleibe.
Nimm sie durch Geist und Wort in acht,
Denn dieses ist mein Heil,
Und wenn mir Leib und Seel verschmacht,
So bist du, Gott, mein Trost und meines Herzens Teil!

6. Slotkoraal

Herr, wie du willt, so schicks mit mir / Im Leben und im Sterben; / Allein zu dir steht mein Begier, / Herr, lass mich nicht verderben! / Erhalt mich nur in deiner Huld, / Sonst wie du willt, gib mir Geduld, / Dein Will, der ist der beste.

Je zult maar geheel en al aan alleen maar jezelf overgeleverd zijn… in dit heelal van 13,7 miljard jaar oud, waarin toch alles met alles samenhangt. Wat onbereikbaar ver weg in ruimte en tijd gebeurt — twee zwarte gaten die in elkaar verdwijnen bijvoorbeeld —, trilt door naar onze kleine aarde. De eindeloze ruimte is niet leeg, maar vormt een netwerk van verbindingen. Maar jij weet geen verbinding te maken. Waar trilt er ook maar iets door van wat jou overkomt? Wordt jouw huivering ergens opgevangen? Wordt ergens geweten van het zwarte gat waarin jouw leven verdwijnt?


‘Ik sta met één voet in het graf‘, zingt de cantate. ‘Ik’ zoek de verbinding, een soort bedding voor mijn leed. De cantate vindt die bedding in wat genoemd wordt ‘de wil van God’ (‘als het u, o God, behaagt’, ‘laat uw wil aan mij geschieden’, ‘wat u wilt moet ik ook goed vinden’, laat het allemaal gebeuren zoals u wilt’; en de laatste regel van het slotkoraal: ‘uw wil is de beste’).


We zijn in het Westen de grote verhalen kwijtgeraakt: gemeenschappelijke verhalen, die onze individuele levens betekenis gaven en ons met elkaar verbonden. Gedeelde droom en ideaal hebben plaatsgemaakt voor eigen belangen. We zijn er eenzamer door geworden.

Maar bij Bach vinden we nog de gemeenschappelijke bedding, de omvattende figuur waar we samen in passen en die onze ellende, ons ziek zijn, ons verlangen een hoopvolle richting geeft.

Meteen al in het begin presenteert zich die te vertrouwen bedding in het adagio van hobo en strijkinstrumenten. En vervolgens in de aria van de tenor (2), die kunstig verweven is met een bestaand kerklied (het eerste couplet van ‘Machs mir, Gott, nach deiner Güt’ van Johann Herman Schein, 1628). Het individuele roepen wordt vervlochten met en gedragen door het zingen van de geloofsgemeenschap — een zingen dat door de eeuwen heen gaat. ‘Alles komt goed’ zo zingt het, zo omvat het, zo stuurt het alles wat ik hopeloos verlang.


Henk Gols