Website Henk Gols

Cantate 12, ‘Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen’

Petruskerk, 10 april 2016

1. Sinfonia 

2. Koor 

Weinen, Klagen,
Sorgen, Zagen,
Angst und Not
Sind der Christen Tränenbrot,
    Die das Zeichen Jesu tragen.

3. Recitatief (alt) 

Wir müssen durch viel Trübsal in das Reich Gottes eingehen.

 4. Aria A 

Kreuz und Krone sind verbunden,
Kampf und Kleinod sind vereint.
    Christen haben alle Stunden
    Ihre Qual und ihren Feind,
    Doch ihr Trost sind Christi Wunden.

 5. Aria B 

Ich folge Christo nach,
Von ihm will ich nicht lassen
Im Wohl und Ungemach,
Im Leben und Erblassen.
Ich küsse Christi Schmach,
Ich will sein Kreuz umfassen.
Ich folge Christo nach,
Von ihm will ich nicht lassen.

6. Aria T 

Sei getreu, alle Pein
Wird doch nur ein Kleines sein.
Nach dem Regen
Blüht der Segen,
Alles Wetter geht vorbei.
Sei getreu, sei getreu!

7. Choral 

Was Gott tut, das ist wohlgetan
Dabei will ich verbleiben,
Es mag mich auf die rauhe Bahn
Not, Tod und Elend treiben,
So wird Gott mich
Ganz väterlich
In seinen Armen halten:
Drum lass ich ihn nur walten.

Een cantate in de Paastijd. Vreugde toch? Een opgaande lijn, eindelijk? Is alles nu wel oké?

Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen — huilen, klagen, bezorgd en bang zijn: het is er allemaal weer net zoals vóor Pasen. En toch…

In de christelijke traditie betekent Pasen niet het einde van het verdriet. Het is niet dat we lijden en dood achter ons zouden hebben gelaten. Natuurlijk niet. Het lijden blijft, en het verdriet en de tegenwerking en de hevige teleurstelling: de dramatisch dalende lijnen die het koor in het Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen laat horen.

Maar het is niet het enige motief. Pasen betekent dat zich door de dalende lijnen heen ook iets anders laat horen: het motief van de vreugde. Van vreugde die door de diepte heen is gegaan, onverwoestbare vreugde.

De vreugde van Pasen bloeit niet op in een omgeving waaruit ellende en pijn weg zijn gesaneerd. Het motief van de vreugde wordt geschreven op de zwarte bladzijden van het bestaan. Ragfijne draden van hoop weven zich door  brede banen van verdriet. De dalende muzikale lijnen in de cantate van vanavond verbinden zich met dwarse, opgaande bewegingen.

Het is dit samen-op van teleurstelling en hoop dat de tijd na Pasen tekent. In de cantate presenteren zich de tegenstellingen als een ‘teken van Christus’. Wie van het verdriet wegloopt, wie het zichzelf te comfortabel maakt, mist de ervaring van de hoop.

Pasen manifesteert zich juist in het ondoorgrondelijke donker, in steeds weer nieuwe puinhopen. Ze zijn verbonden, zingt de alt: kruis en kroon, wat moeilijk én wat kostbaar is. Je ontkomt niet aan nieuwe wonden, maar de wonden in ons bestaan zijn de vindplaatsen van troost. Onze verwondingen zijn verbonden met de — blijvend zichtbare — littekens van de verrezen Christus.

De bas zingt in zijn aria over kussen en omarmen. Wie of wat wordt er gekust? Wie of wat wordt er omarmd? Het is de vernederde die hij kust, het is de lijdende die hij omarmt. In de getreiterde en lijdende medemens kus ik Christus zelf, die ik stap voor stap wil volgen in zijn ópgang, die zich om te beginnen als afgang manifesteert.

Door de aria van de tenor vlecht zich de melodie van het kerklied ‘Jesu meine Freude’, ‘Jezus, mijn verblijden’ (tekst: Johann Franck; melodie: Johann Crüger, 1653). De tekst van het laatste couplet van dat lied is als volgt (in de vertaling van J.W. Schulte Nordholt):

Wat zou ik nog treuren,
als de Heer der vreugde,
Jezus, binnenschrijdt!
Zij die God beminnen
zullen vreugde winnen
ook uit bitterheid.
of mij ‘t kwaad naar ’t leven staat,
toch zijt gij ook in mijn lijden,
Jezus, mijn verblijden.

Waarom weeft Bach de melodie van dat kerklied door die tenor-aria? Omdat Pasen betekent dat je zomaar en ondanks alles de melodie van de vreugde mag horen zingen. Je hoeft lijkt me niet per se christelijk te zijn om die melodie te herkennen — die hoopvolle melodie, die Bach door ons dubbelzinnige leven weeft: dit leven van op en neer, van pijn en verrukking.


Henk Gols