Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 111, ‘Was mein Gott will, das g'scheh allzeit’

Petruskerk, 10 januari 2016

1. Openingskoor

Was mein Gott will, das g'scheh allzeit,
Sein Will, der ist der beste;
Zu helfen den'n er ist bereit,
Die an ihn gläuben feste.
Er hilft aus Not, der fromme Gott,
Und züchtiget mit Maßen:
Wer Gott vertraut, fest auf ihn baut,
Den will er nicht verlassen.

2. Aria (bas) 

Entsetze dich, mein Herze, nicht,
Gott ist dein Trost und Zuversicht
Und deiner Seele Leben.
    Ja, was sein weiser Rat bedacht,
    Dem kann die Welt und
      Menschenmacht
    Unmöglich widerstreben.

3. Recitatief (alt) 

O Törichter! der sich von Gott entzieht
Und wie ein Jonas dort
Vor Gottes Angesichte flieht;
Auch unser Denken ist ihm offenbar,
Und unsers Hauptes Haar
Hat er gezählet.
Wohl dem, der diesen Schutz erwählet
Im gläubigen Vertrauen,
Auf dessen Schluss und Wort
Mit Hoffnung und Geduld zu schauen.

4. Aria (duet tenor en alt)

So geh ich mit beherzten Schritten,
Auch wenn mich Gott zum Grabe führt.
    Gott hat die Tage aufgeschrieben,
    So wird, wenn seine Hand mich
      rührt,
    Des Todes Bitterkeit vertrieben.

5. Recitatief (sopraan) 

Drum wenn der Tod zuletzt den Geist
Noch mit Gewalt aus seinem Körper
  reißt,
So nimm ihn, Gott, in treue
  Vaterhände!
Wenn Teufel, Tod und Sünde mich
  bekriegt
Und meine Sterbekissen
Ein Kampfplatz werden müssen,
So hilf, damit in dir mein Glaube siegt!
O seliges, gewünschtes Ende!

6. Slotkoraal 

Noch eins, Herr, will ich bitten dich,
Du wirst mir's nicht versagen:
Wenn mich der böse Geist anficht,
Lass mich doch nicht verzagen.
Hilf, steur und wehr, ach Gott, mein
  Herr,
Zu Ehren deinem Namen.
Wer das begehrt, dem wird's gewährt;
Drauf sprech ich fröhlich: Amen.

In kranten en tijdschriften van de laatste tijd worden wij beschreven als bange burgers. Gespannen, angstig, onzeker, overgevoelig, paranoia zijn we geworden. Misdaad in eigen buurt, de aanhoudende stroom vluchtelingen, onzekerheid over werk en inkomen, de statistische kans op een dodelijke ziekte — ze ondermijnen het overzichtelijke idee dat we zelf de regie over ons leven hebben. We bepalen graag zelf, maar kijk, ongevraagd en buiten alle planning overkomt ons wat ons leven overhoop haalt: domme pech, noodlot, het verlies van wat en wie we nou juist zoveel voor ons betekende.

Waar heb ik het aan verdiend? Is het mijn eigen schuld? Is het een straf? Ik voel me slachtoffer. Het wordt me aangedaan. ‘Ze’ doen maar met me. Alsof de duvel met me speelt. Is het een opperwezen dat het voor mij bederft? Of is het gewoon mijn baas, mijn tirannieke echtgenoot, die me ongelukkig maakt? Ligt het aan mijn vader, mijn moeder, dat de dingen verkeer gaan? Is het een Arabier of een Noord-Afrikaan? Is het de schuld van de islam, of toch weer van het christendom?

Wat gaan we doen? Een fort bouwen, ons inbunkeren? Boos doen, schreeuwen? De schuld bij anderen neerleggen? Onszelf beklagen? Of lekker nergens aan denken, feestje, drankje, filmpje, geprogrammeerd amusement?

Albrecht, hertog van Pruisen in de 17e eeuw, verloor zijn lieve vrouw en kreeg zijn leven niet meer goed op orde. Hij las iets van Luther over een van de beden uit het Onze Vader: ‘uw wil geschiede’. En dichtte toen het lied waaromheen de cantate van vanavond is gebouwd: ‘Wat mijn God wil geschiede altijd’. Een tekst van iemand in gevecht met zichzelf, met wat hem overkomt. Niet zomaar een vrome uiting, bij nader inzien een dramatisch lied.

Bachs tekstschrijver gebruikt van dat lied het eerste en laatste couplet en maakt van de binnencoupletten een vrije bewerking. De cantate is geschreven voor de zondag waarop de lutherse kerk het evangelie las en leest over o.a. de genezing van een melaatse man (3e zondag na Epifanie, Matteüs 8:1-13). Zijn lijf is aangetast, zijn huid aangevreten, hij ziet er niet uit, hij wordt gemeden, is zijn plek in de samenleving kwijt. Van Jezus wordt dan gezegd dat hij zijn hand naar die man uitstrekt en hem aanraakt. De tekstschrijver van de cantate voegt die hand toe (4) aan het lied van hertog Albrecht. En Bach maakt van de tekst met die hand een schitterend, dansend duet. Alsof naar ons die luisteren die hand uitnodigend wordt uitgestoken.

‘Wat mijn God wil geschiede altijd’ — wat is Gods wil? Is Gods wil het erge dat ons overkomen kan? Is Gods wil het verpletterende, het dodelijke, alles wat ons angstig maakt? Nee, zegt de cantate in tekst en muziek: Gods wil is in al het duister die hand. Ik hoef voor alle onzekerheid niet weg te vluchten, zoals de profeet Jona ooit probeerde zijn bestemming te ontlopen. Mocht ik het donker in moeten, mocht ik vreemd gebied betreden waar ik zelf de weg niet weet, dan hoef ik niet terug te deinzen. Een hand zoekt me, de dans begint. Ik ga dwars door wat me angst aanjaagt heen, ik dans er doorheen, met de ‘beheerste passen’ van het vertrouwen. ‘Vrolijk’ is het laatste woord van het slotkoraal. Daarna komt als uitroepteken het amen.

We hoeven wat die cantate zegt en zingt natuurlijk niet te geloven. Anderzijds zou het jammer zijn om bij gebrek aan beter aan de angst toe te geven en te horen bij de bange burgers. Die uitnodigende hand die ons meetrekt — in elk geval een beeld om voorlopig nog even vast te houden.


Henk Gols