Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 153 ‘Schau, lieber Gott, wie meine Feind’

Petruskerk, 11 januari 2015

1. Openingskoor 

Schau, lieber Gott, wie meine Feind,
Damit ich stets muss kämpfen,
So listig und so mächtig seind,
Dass sie mich leichtlich dämpfen!
Herr, wo mich deine Gnad nicht hält,
So kann der Teufel, Fleisch und Welt
Mich leicht in Unglück stürzen.

2. Recitatief (alt) 

Mein liebster Gott, ach lass dichs doch erbarmen,
Ach hilf doch, hilf mir Armen!
Ich wohne hier bei lauter Löwen und bei Drachen,
Und diese wollen mir durch Wut und Grimmigkeit
In kurzer Zeit
Den Garaus völlig machen.

 3. Aria (bas) 

Fürchte dich nicht, ich bin mit dir. Weiche nicht, ich bin dein Gott; ich stärke dich, ich helfe dir auch durch die rechte Hand meiner Gerechtigkeit. (Jesaja 41:10)

4. Recitatief (tenor) 

Du sprichst zwar, lieber Gott, zu meiner Seelen Ruh
Mir einen Trost in meinen Leiden zu.
Ach, aber meine Plage
Vergrößert sich von Tag zu Tage,
Denn meiner Feinde sind so viel,
Mein Leben ist ihr Ziel,
Ihr Bogen wird auf mich gespannt,
Sie richten ihre Pfeile zum Verderben,
Ich soll von ihren Händen sterben;
Gott! meine Not ist dir bekannt,
Die ganze Welt wird mir zur Marterhöhle;
Hilf, Helfer, hilf! errette meine Seele!

5. Koraal 

Und ob gleich alle Teufel
Dir wollten widerstehn,
So wird doch ohne Zweifel
Gott nicht zurücke gehn;
Was er ihm fürgenommen
Und was er haben will,
Das muss doch endlich kommen
Zu seinem Zweck und Ziel.

6. Aria (tenor) 

Stürmt nur, stürmt, ihr Trübsalswetter,
Wallt, ihr Fluten, auf mich los!
Schlagt, ihr Unglücksflammen,
Über mich zusammen,
Stört, ihr Feinde, meine Ruh,
Spricht mir doch Gott tröstlich zu:
Ich bin dein Hort und Erretter.

7. Recitatief (bas) 

Getrost! mein Herz,
Erdulde deinen Schmerz,
Lass dich dein Kreuz nicht unterdrücken!
Gott wird dich schon
Zu rechter Zeit erquicken;
Muss doch sein lieber Sohn,
Dein Jesus, in noch zarten Jahren
Viel größre Not erfahren,
Da ihm der Wüterich Herodes
Die äußerste Gefahr des Todes
Mit mörderischen Fäusten droht!
Kaum kömmt er auf die Erden,
So muss er schon ein Flüchtling werden!
Wohlan, mit Jesu tröste dich
Und glaube festiglich:
Denjenigen, die hier mit Christo leiden,
Will er das Himmelreich bescheiden.

8. Aria (alt) 

Soll ich meinen Lebenslauf
Unter Kreuz und Trübsal führen,
Hört es doch im Himmel auf.
Da ist lauter Jubilieren,
Daselbsten verwechselt mein Jesus das Leiden
Mit seliger Wonne, mit ewigen Freuden.

9. Slotkoraal

Drum will ich, weil ich lebe noch,
Das Kreuz dir fröhlich tragen nach;
Mein Gott, mach mich darzu bereit,
Es dient zum Besten allezeit!

Hilf mir mein Sach recht greifen an,
Dass ich mein' Lauf vollenden kann,
Hilf mir auch zwingen Fleisch und Blut,
Für Sünd und Schanden mich behüt!

Erhalt mein Herz im Glauben rein,
So leb und sterb ich dir allein;

Jesu, mein Trost, hör mein Begier,

O mein Heiland, wär ich bei dir!

Hoe mooi ook weer de muziek, de cantate irriteerde me toen ik haar voor het eerst beluisterde, enkele weken geleden tijdens het strijken van mijn overhemden. Al weer een cantate in mineur terwijl het in de kerk nog feest hoort te zijn. Alweer — in de feestelijke Paastijd hebben we het ook al eens meegemaakt (9 mei 2010, cantate BWV 87): treurnis terwijl alles hoort te zingen en te bloeien. 

De twee hoogtepunten van de Kersttijd zijn 25 december, het feest van de geboorte van Christus, en 6 januari, Epifanie, bij ons wel bekend als Driekoningen. Op beide data wordt, zij het met verschillende accenten, gevierd dat het licht verschenen is: het is over ons opgegaan, het nestelt zich in onze wereld, wij zijn nooit meer zonder. De cantate van vanavond werd voor het eerst uitgevoerd te Leipzig op 2 januari 1724, de zondag na Nieuwjaar. In de liturgie van de kerk geen bijzondere zondag, maar wel een die valt binnen de lichtkring van de Kersttijd. En waarom dan toch een cantate met weer zoveel strijd en verdriet?

Toen werd het woensdag 7 januari j.l. De aanslag in Parijs, de moorden, de aanval op culturele waarden van de Europese beschaving die voor ons wezenlijk zijn, de schok die ging door Europa.

Het is nog de Kersttijd, maar kijk, onze wereld is vol vijandigheid en geweld. ‘Ze willen me eigenhandig doden’ zingt de tenor in zijn recitatief; ‘help, helper, help! red mijn ziel!’ (4)

En ja, toegegeven, al in de vroege kerkelijke traditie heeft de Kersttijd ook zijn pijnpunten. In deze feestelijke weken wordt onder andere steevast gelezen uit het evangelie dat vertelt dat het kind Jezus meteen al vluchteling werd, bedreigd door de tiran Herodes; ik lees u een gedeelte voor:


[Aan Jozef verscheen] in een droom een engel van de Heer. Hij zei: ‘Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen.’ Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte. Daar bleef hij tot de dood van Herodes (…)‘

Toen Herodes begreep dat hij door de magiërs misleid was, werd hij verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Betlehem en de wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen.

Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: ‘Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’

(Matteüs 2:13-18, Willibrordvertaling)


De kindermoord in Betlehem heeft geen historische papieren. Het is op een andere manier historisch: het vertelt het eeuwige verhaal van macht en geweld die zich vergrijpen aan wat kwetsbaar is. Het verhaal over dit vluchtende kind in de context van een brute slachtpartij las men in de lutherse kerk van Bach op de zondag na Nieuwjaar. In andere kerkelijke tradities is het aan de orde op 28 december, de dag van de Onnozele of Onschuldige kinderen.

Ook als het licht verschenen is, is het geweld niet weg. In Bachs tijd werd dat onmiddellijk herkend, ja zwaar aangezet. Wat stormt het in de aria van de tenor (6). En toch zingt de bas in de trant van de demonstrerende Parijse scholieren op de dag van de aanslag (3, arisoso): ‘Wees niet bang! Wijk niet!’.

In de cantate is het laatste woord niet aan het tirannieke geweld. Het kind Jezus staat niet alleen voor wat kwetsbaar is en geschonden wordt; het vertegenwoordigt ook iets sterks, iets dat ons redt (6) en het verdriet openbreekt naar mateloze vreugde (8).


Henk Gols