Website Henk Gols

Cantate 102 ‘Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben’

Petruskerk, 8 maart 2015

Eerste deel

1. Openingskoor 

Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben! Du schlägest sie, aber sie fühlens nicht;
du plagest sie, aber sie bessern sich nicht. Sie haben ein härter Angesicht denn ein Fels und wollen sich nicht bekehren. 

2. Recitatief (bas)

Wo ist das Ebenbild, das Gott uns eingepräget,

Wenn der verkehrte Will sich ihm zuwiderleget?

Wo ist die Kraft von seinem Wort,

Wenn alle Besserung weicht aus dem Herzen fort?

Der Höchste suchet uns durch Sanftmut zu zähmen,
Ob der verirrte Geist sich wollte noch bequemen;
Doch, fährt er fort in dem verstockten Sinn,
So gibt er ihn ins Herzens Dünkel hin.

3. Aria (alt) 

Weh der Seele, die den Schaden
Nicht mehr kennt 
  Und, die Straf auf sich zu laden,
  Störrig rennt,

  Ja von ihres Gottes Gnaden 
  Selbst sich trennt!

4. Arioso (bas) 

Verachtest du den Reichtum seiner Gnade, Geduld und Langmütigkeit? Weißest du nicht, dass dich Gottes Güte zur Buße locket? Du aber nach deinem verstockten und unbußfertigen Herzen häufest dir selbst den Zorn auf den Tag des Zorns und der Offenbarung des gerechten Gerichts Gottes.

Tweede deel 

5. Aria (tenor) 

Erschrecke doch,
Du allzu sichre Seele!

Denk, was dich würdig zähle
Der Sünden Joch.
Die Gotteslangmut geht auf einem Fuß von Blei,
Damit der Zorn hernach dir desto schwerer sei. 

6. Recitatief (alt)  

Beim Warten ist Gefahr;
Willst du die Zeit verlieren?
Der Gott, der ehmals gnädig war,

Kann leichtlich dich vor seinen Richtstuhl führen.
Wo bleibt sodann die Buß? Es ist ein Augenblick,
Der Zeit und Ewigkeit, der Leib und Seele scheidet;
Verblendter Sinn, ach kehre doch zurück, 
Dass dich dieselbe Stund nicht finde unbereitet!

7. Slotkoraal

Heut lebst du, heut bekehre dich, / Eh morgen kömmt, kann’s ändern sich; / Wer heut ist frisch, gesund und rot, / Ist morgen krank, ja wohl gar tot. / So du nun stirbest ohne Buß, / Dein Leib und Seel dort brennen muss.

Hilf, o Herr Jesu, hilf du mir, / Dass ich noch heute komm zu dir / Und Buße tu den Augenblick, / Eh mich der schnelle Tod hinrück, / Auf dass ich heut und jederzeit / Zu meiner Heimfahrt sei bereit.

In de kerken van Leipzig bleef in de Vasten de concertante muziek achterwege. Geen cantates ook. Maar ook al is het nu de Vasten, wij willen vanavond een cantate horen! Uit welke cantates van buiten de Vasten kies je dan? Mijn complimenten aan het adres van Wouter van Haaften, die koos voor ‘Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben’, een cantate voor de Tiende zondag na Trinitatis, te Leipzig uitgevoerd op 25 augustus 1726. Een zomerse cantate, die vandaag wonderwel past.

Ze past vanwege het boetekarakter. Van een zomerse cantate verwacht je iets vrolijkers, maar wat we gaan horen is zwaar op de hand.

De lutherse kerk leest op de Tiende zondag na Trinitatis over Jezus die aan het eind van zijn pelgrimage de stad Jeruzalem nadert en dan in huilen uitbarst omdat de stad niet begrijpt wat haar tot vrede dient en daarom onvermijdelijk haar ondergang tegemoet gaat. Aangekomen in Jeruzalem, gaat Jezus onmiddellijk naar de tempel, waar hij het tempelplein schoonveegt: geen commercie in het huis van gebed! Ook op deze derde zondag in de Vasten wordt in vele kerken gelezen hoe Jezus de tempel reinigt: laat het huis van mijn Vader geen markthal zijn!

Nog een andere reden waarom de cantate uit de zomer juist nu zo goed past. Deze zondag heet naar het gregoriaanse psalmvers waarmee de eredienst opent: ‘Oculi’. Het is de zondag van de ogen: ‘mijn ogen zijn steeds op de Heer gericht’ (Psalm 25:15). Ook de cantate opent met ogen, met Gods ogen: ‘Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben’, ‘Heer, uw ogen zien uit naar geloof.’

Een mooie vondst dus om cantate nummer 102 te benutten voor de zondag van de ogen in het zogenaamde B-Jaar van de kerkelijke kalender.


Naar op het evangelie zouden stad en tempel boete moeten doen. Omdat zowel in het huis van de samenleving als in de godshuizen de focus verkeerd gericht is. Overal gaat het maar om nut en rendement, alles is handel geworden.

In de cantate echter wordt de oproep tot boetedoening geïndividualiseerd. Het gaat niet om het collectief maar om jou. Hoe smartelijk klinkt de aria van de alt (3), omdat jij niet goed bezig bent. Je roept het onheil over je af!

Laat mij in eigen woorden de inhoud van de cantate weergeven:


‘Jij met je harde kop, je rent maar door, je stoot je telkens opnieuw maar je weet niet van ophouden. Je wordt almaar eenzamer, steeds dieper begeef je je het donker in. Wat maak je het jezelf en mij moeilijk, dit gaat ons opbreken. Wat richt je toch aan, wat ben je verbitterd. Is dit leven? Moet je zo sterven? Waarom valt er niet te praten? Ik nodig je uit om het goed te maken.  Als je maar toegaf: okay, ik zit fout, zo moet het ook niet, sorry, het spijt me zo. Maar je laat de mogelijkheid om het goed te maken liggen, je verspeelt de kansen die je nog hebt. Nog even en het is te laat, dan is alles voorgoed kapot tussen ons. Waar ben je? Kom toch, lief, kom naar huis.’


Een cantate in een prachtig muzikaal boetekleed.


Henk Gols