Website Henk Gols

Cantate 10 ‘Meine Seel erhebt den Herren’

Petruskerk, 14 juni 2015

1. Koraal 

Meine Seel erhebt den Herren,
Und mein Geist freuet sich Gottes, meines
  Heilandes;
Denn er hat seine elende Magd angesehen.
Siehe, von nun an werden mich
  selig preisen alle Kindeskind.

2. Aria (sopraan)

Herr, der du stark und mächtig bist, 
Gott, dessen Name heilig ist,
Wie wunderbar sind deine Werke!
    Du siehest mich Elenden an,
    Du hast an mir so viel getan,
    Dass ich nicht alles zähl und merke.

3. Recitatief (tenor)

Des Höchsten Güt und Treu
Wird alle Morgen neu
Und währet immer für und für
Bei denen, die allhier
Auf seine Hülfe schaun
Und ihm in wahrer Furcht vertraun.
Hingegen übt er auch Gewalt
Mit seinem Arm
An denen, welche weder kalt
Noch warm
Im Glauben und im Lieben sein;
Die nacket, bloß und blind,
Die voller Stolz und Hoffart sind,
Will seine Hand wie Spreu zerstreun.

4. Aria (bas) 

Gewaltige stößt Gott vom Stuhl
Hinunter in den Schwefelpfuhl;
Die Niedern pflegt Gott zu erhöhen,
Dass sie wie Stern am Himmel stehen.
Die Reichen lässt Gott bloß und leer,
Die Hungrigen füllt er mit Gaben,
Dass sie auf seinem Gnadenmeer
Stets Reichtum und die Fülle haben.

5. Duet en koraal (alt, tenor) 

Er denket der Barmherzigkeit
Und hilft seinem Diener Israel auf.

6. Recitatief (tenor) 

Was Gott den Vätern alter Zeiten
Geredet und verheißen hat,
Erfüllt er auch im Werk und in der Tat.
Was Gott dem Abraham,
Als er zu ihm in seine Hütten kam,
Versprochen und geschworen,
Ist, da die Zeit erfüllet war, geschehen.
Sein Same musste sich so sehr
Wie Sand am Meer
Und Stern am Firmament ausbreiten,
Der Heiland ward geboren,
Das ewge Wort ließ sich im Fleische sehen,
Das menschliche Geschlecht von Tod und allem Bösen
Und von des Satans Sklaverei
Aus lauter Liebe zu erlösen;
Drum bleibt's darbei,
Dass Gottes Wort voll Gnad und Wahrheit sei.

7. Koraal

Lob und Preis sei Gott dem Vater und dem Sohn
Und dem Heiligen Geiste,
Wie es war im Anfang, itzt und immerdar
Und von Ewigkeit zu Ewigkeit. Amen.

Iedere dag klinkt haar lofzang. Tijdens de vespers, het avondgebed, de Evensong, werd de eeuwen door en wordt nog steeds het Magnificat gezongen, hét lied van Maria. U kunt het horen overal waar het christelijke getijdengebed nog functioneert: in de kloosters, in Engelse kathedralen en Colleges, in rooms-katholieke maar ook in protestantse kerken her en der. Nee, Maria is niet rooms. Een eerbiedige plek heeft ze ook bij de anglicanen en lutheranen, die speciale feestdagen aan haar wijden. En zelfs de calvinisten beginnen in te zien dat het ongepast is niet mee te doen met al die generaties die haar zaligprijzen.

Wie is Maria?

In de bijbelse geschriften vertegenwoordigt zij iets groots. Zij stijgt buiten haar individuele persoontje uit. Haar loflied is een sublieme samenvatting van alles wat de Hebreeuwse psalmen zingen en Israëls profeten en wijzen zeggen. Maria is joods en ze vertegenwoordigt eeuwen van joods geloof.

Tevens vertegenwoordigt ze het geloof van de generaties na haar. Ze is het model geworden van de kerk: de kerk op haar best. Zuiver en krachtig is haar zingen. Niet omdat ze zichzelf zo graag hoort, want ze is een bescheiden vrouw. Juist haar nederigheid opent een mateloze ruimte van dankbaarheid en vreugde. Met geest en lijf geeft ze zich aan wat volslagen nieuw gebeurt en de wereld op z’n kop zet. Het nieuwe zit in het onverwachte perspectief voor wie arm zijn, vernederd worden en honger hebben. Degenen die de beschikbare ruimte in de samenleving schaamteloos vullen met zichzelf, hebben in haar lied geen poot meer om op te staan: de dikke ego’s vol hoogmoed en eigenwaan, de machthebbers en rijken die altijd zo goed voor zichzelf zorgen.


De cantate geeft niet de zuivere tekst die Maria zong te horen. De teksten van recitatief en aria zijn parafrases, uitwijdingen en vrome versieringen die ten koste gaan van de oorspronkelijke directheid.

Toch heeft Bach aan de kracht van Maria’s lied muzikaal volop recht gedaan. Wat een blijde energie zit er in het openingskoor en de erop volgende aria van de sopraan. Wat een compassie beluisteren wij in het duet van alt en tenor (5).


Het Magnificat is een oerlied, een bron van zuivere spiritualiteit, die trouw blijft aan de aarde. Mooi dat Bach een gregoriaanse melodische lijn gebruikt in het openingskoor, het duet (5) en het slotkoor. Als om het oerkarakter van het Magnificat te onderstrepen. Het is de tonus peregrinus, een ‘zwerftoon’, een afwijkende gregoriaanse reciteertoon, die in de Latijnse zondagsvespers gereserveerd is voor het zingen van een psalm (114 in de Hebreeuwse, 113:1-8 in de Latijnse telling) die gaat over de uittocht, ooit, van Israël uit Egypte. Uittocht…

Op vele manieren wordt het ons in de cantate duidelijk gemaakt: een wijde ruimte opent zich.


Henk Gols


Tekst van het Magnificat in een weergave van Huub Oosterhuis:


Ik zing van ganser harte voor de Heer,
ben opgetogen om mijn God en redder,
want Hij had oog voor mij, zijn dienares,
maar wie ben ik dat Hij mij heeft gevraagd.
Nu mag ik mij voortaan gelukkig prijzen
dat Hij zo grote dingen aan mij deed.
En alle eeuwen stemmen met mij in:
de Heer is machtig en zijn Naam is heilig.
Iedere tijd opnieuw gaat zijn genade
naar allen die eerbiedig met Hem leven.
Genade is zijn kracht,
maar alle hoogmoed,
al onze eigenwaan ontmaskert Hij.
Alle machthebbers stoot Hij van hun tronen,
arme en kleine mensen maakt Hij groot.
Wie honger hebben geeft Hij overvloed
en rijken stuurt Hij heen met lege handen.
Altijd is Hij zijn volk nog trouw gebleven,
altijd bezorgd om Israël, zijn dienstknecht.
Zo had Hij het beloofd aan onze vaderen,
aan Abraham en aan zijn volk, voorgoed.

(evangelie van Lucas 1:46-55)