Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 93  ‘Wer nur den lieben Gott lässt walten'

Petruskerk, 9 maart 2014

1. Koor



Wer nur den lieben Gott lässt walten

Und hoffet auf ihn allezeit,

Den wird er wunderlich erhalten

In allem Kreuz und Traurigkeit.

Wer Gott, dem Allerhöchsten, traut,

Der hat auf keinen Sand gebaut.
 

2. Koraal en recitatief (bas) 


Was helfen uns die schweren Sorgen?

Sie drücken nur das Herz

Mit Zentnerpein,
Mit tausend Angst und Schmerz.

Was hilft uns unser Weh und Ach?

Es bringt nur bittres Ungemach.

Was hilft es, dass wir alle Morgen

Mit Seufzen von dem Schlaf aufstehn

Und mit beträntem Angesicht
Des Nachts zu Bette gehn?
Wir machen unser Kreuz und Leid

Durch bange Traurigkeit nur größer.

Drum tut ein Christ viel besser,

Er trägt sein Kreuz mit christlicher
  Gelassenheit.
 

3. Aria (tenor) 


Man halte nur ein wenig stille,

Wenn sich die Kreuzesstunde naht,

Denn unsres Gottes Gnadenwille

Verlässt uns nie mit Rat und Tat.

Gott, der die Auserwählten kennt,

Gott, der sich uns ein Vater nennt,

Wird endlich allen Kummer wenden

Und seinen Kindern Hilfe senden.
 

4. Aria (Duet sopraan en alt) 


Er kennt die rechten Freudenstunden,

Er weiß wohl, wenn es nützlich sei;

Wenn er uns nur hat treu erfunden

Und merket keine Heuchelei,

So kömmt Gott, eh wir uns versehn,

Und lässet uns viel Guts geschehn.
 

5. Koraal en recitatief (tenor) 


Denk nicht in deiner Drangsalhitze,

Wenn Blitz und Donner kracht

Und die ein schwüles Wetter bange
  macht,

Dass du von Gott verlassen seist.

Gott bleibt auch in der größten Not,

Ja gar bis in den Tod

Mit seiner Gnade bei den Seinen.

Du darfst nicht meinen,

Dass dieser Gott im Schoße sitze,

Der täglich wie der reiche Mann,

In Lust und Freuden leben kann.

Der sich mit stetem Glücke speist,

Bei lauter guten Tagen,

Muss oft zuletzt,

Nachdem er sich an eitler Lust ergötzt,

'Der Tod in Töpfen' sagen.

Die Folgezeit verändert viel!

Hat Petrus gleich die ganze Nacht

Mit leerer Arbeit zugebracht

Und nichts gefangen:

Auf Jesu Wort kann er noch einen Zug
  erlangen.

Drum traue nur in Armut, Kreuz und Pein

Auf deines Jesu Güte

Mit gläubigem Gemüte;

Nach Regen gibt er Sonnenschein

Und setzet jeglichem sein Ziel.
 

6. Aria (sopraan) 


Ich will auf den Herren schaun

Und stets meinem Gott vertraun.

Er ist der rechte Wundermann.

Der die Reichen arm und bloß

Und die Armen reich und groß

Nach seinem Willen machen kann.


7. Slotkoor

Sing, bet und geh auf Gottes Wegen,
Verricht das Deine nur getreu
Und trau des Himmels reichem Segen,
So wird er bei dir werden neu;
Denn welcher seine Zuversicht
Auf Gott setzt, den verlässt er nicht.

‘Wer nun den lieben Gott lässt walten’ — vanaf de tijd van ontstaan is het een van de meest populaire kerkliederen in Duitsland. Ook in Nederland raakte het zeer geliefd: ‘Wie maar de goede God laat zorgen’, heette het tot voor kort in vertaling (Liedboek 2013, gezang 429). Of volgens de bewerking van Sytze de Vries in het allernieuwste protestantse liedboek (nummer 905): ‘Wie zich door God alleen laat leiden’.

In de activistische jaren ’60 en ’70, toen een nieuwe wereld maakbaar leek, stond het lied bij wie zich als vooruitstrevend beschouwde onder verdenking. Ik vermoed dat ik het de eerste twee decennia van mijn predikantschap niet of nauwelijks heb laten zingen. We vonden het lied te berustend. Het weerspreekt immers de maakbaarheid van de dingen, van de maatschappij en van ons eigen leven. Het zingt dat je moet willen wachten, dat het beslissende niet is wat je zelf voor elkaar krijgt, maar wat je aan je laat gebeuren. Het lied roept op tot ‘Gelassenheit’, gelatenheid; dat woord klinkt op het eind van het eerste recitatief van de cantate; het staat niet letterlijk in de oorspronkelijke koraaltekst, maar geeft goed weer welke innerlijke houding het lied bedoelt.

Inmiddels is de gelatenheid bezig met een comeback. Gelatenheid blijkt niet zo passief als we eerst wel dachten. Het is een fundamenteel begrip in de middeleeuwse mystiek, maar ook in wijsheid uit levensbeschouwelijke traditie van elders (bijvoorbeeld het taoïsme). Gelatenheid duidt op een bewuste houding van ontvankelijkheid, van goed opletten waar het leven met ons naartoe wil, waar het naartoe stuwt. Lang niet alles hebben we zelf in de hand; grote veranderingen in ons bestaan dienen zich meestal aan buiten onze planning om en tegen onze wensen in. We kunnen ons dan verzetten en energie verspillen aan een — vaak hopeloos — gevecht; ook echter kunnen we laten gebeuren wat blijkbaar gebeuren moet, maar wel zo dat we er helemaal bij zijn, terwijl we actief speuren naar hoe we kunnen meebewegen met de stroom en er alert op zijn waar wij zelf in de stroom een steen zouden kunnen verleggen. Maar niet ertegenin gaan: we láten het gebeuren — daarin zit onze bijdrage, wij laten toe, terwijl alles in ons op scherp staat om op het juiste moment een volgend stapje te zetten en met een lichte tik bij te sturen.

Gelatenheid vraagt om de wijsheid van het vertrouwen. In de koraalcantate heet dat: vertrouwen hebben in God. In het tweede recitatief (5) hoort u een verwijzing naar de evangelielezing voor de zondag waarop deze cantate werd uitgevoerd (Lucas 5:1-11, op de Vijfde zondag na Trinitatis, 9 juli 1724): dat evangelie gaat over de eerste Nacht van Petrus, de nacht van het vergeefse vissen op het meer van Galilea. Het geeft een perfecte illustratie van wat gelatenheid is: na die vergeefse nacht zet Petrus op het woord van Jezus opnieuw zijn netten uit en haalt een overweldigende menigte vissen binnen. Het gebeurt aan hem en toch is hij er zelf bij. In het verrassende ontregelende gebeuren speelt hij zijn rol, beweegt hij mee en komt op het juiste moment in actie — en dat alles in een waarschijnlijk ook voor hemzelf onbegrijpelijk vertrouwen. De dichter van de cantatetekst heeft die verwijzing naar het evangelie bij wijze van commentaar op de letterlijke koraalcitaten ingevoegd.


Zowel de tekst als de melodie van het koraal zijn van Georg Neumann. Hij heeft het koraal geschreven en gecomponeerd in 1641, toen hij nog maar in het begin van zijn twintiger jaren was. Middenin de Dertigjarige Oorlog vluchtte hij voor het oorlogsgeweld uit Thüringen naar Pruisen. Hij sloot zich aan bij enkele kooplui. Onderweg werden ze overvallen en beroofd. Georg kwam er levend vanaf en wist Hamburg te bereiken, waar hij om weer aan geld te komen een roman publiceerde. Hij vertrok naar Kiel, waar hij een barre winter beleefde vol honger en ontbering. Bij verrassing kreeg hij er een baantje als huisleraar aangeboden. Hij schrijft: ‘Dit snelle geluk, als een geschenk uit de hemel, maakte me zo innig blij dat ik nog diezelfde dag tot eer van God begon aan het lied “Wer nun den lieben Gott lässt walten”.’

In het Leipzig uit de tijd van Bach blijkt het lied enkele veranderingen te hebben ondergaan, ritmisch en melodisch. Ook in Nederland deden verschillende muzikale versies de ronde. In de de kerkelijke liedboeken van de laatste decennia is de oorspronkelijke melodie hersteld. Zo komt het dat de manier waarop wij het koraal op het eind van de cantate zingen, afwijkt van wat tegenwoordig in de kerk gebruikelijk is.


Let u op de stilte die is ingebouwd in het thema waarmee de tenor-aria (3) begint. Net of het eigenlijke gebeurt op de momenten waarop wij ons weten in te houden. In de christelijke taal van de zeventiende-eeuwse Georg Neumann en de achttiende-eeuwse Bach stoten we op eeuwige wijsheid.


Henk Gols