Website Henk Gols

Cantate 61 ‘Nun komm, der Heiden Heiland’

Petruskerk,
14 december 2014

1. Openingskoor 

Nun komm, der Heiden Heiland,
Der Jungfrauen Kind erkannt,
Des sich wundert alle Welt,
Gott solch Geburt ihm bestellt.

 2. Recitatief (tenor)

Der Heiland ist gekommen,
Hat unser armes Fleisch und 
An sich genommen
Und nimmet uns zu Blutsverwandten an.
O allerhöchstes Gut,
Was hast du nicht an uns getan?
Was tust du nicht
Noch täglich an den Deinen?
Du kömmst und lässt dein Licht
Mit vollem Segen scheinen.

3. Aria (tenor) 

Komm, Jesu, komm zu deiner Kirche
Und gib ein selig neues Jahr!
    Befördre deines Namens Ehre,
    Erhalte die gesunde Lehre
    Und segne Kanzel und Altar!

4. Recitatief (bas) 

Siehe, ich stehe vor der Tür und klopfe an. So jemand meine Stimme hören wird und die Tür auftun, zu dem werde ich eingehen und das Abendmahl mit ihm halten und er mit mir.

5. Aria (sopraan) 

Öffne dich, mein ganzes Herze,
Jesus kömmt und ziehet ein.
    Bin ich gleich nur Staub und Erde,
    Will er mich doch nicht verschmähn,
    Seine Lust an mir zu sehn,
    Dass ich seine Wohnung werde.
    O wie selig werd ich sein! 6. 

6. Slotkoraal 

Amen, amen!
Komm, du schöne Freudenkrone, bleib nicht lange!
Deiner wart ich mit Verlangen.

Nun komm’ — ‘kom nu’. Het is de roep die vanaf de vroegste christenheid geklonken heeft. Alles is gericht op wat komt. De levenshouding is naar voren gericht, alert ben je, open, je speurt om je heen. Waar komt het? In welke mensen en omstandigheden komt het naar me toe, om me mee te nemen, om aan mijn leven en aan wat er dagelijkse gebeurt een beslissende wending te geven?

Deze hoopvolle wakkerheid wordt gecultiveerd in de periode van de Advent, de weken voor Kerstmis.

Het feest van de geboorte van Jezus werd in de vierde eeuw voor het eerst in de westerse christenheid gevierd; het werd overgenomen van de kerk van het Oosten. Het Westen heeft later aan Kerstmis een periode van voorbereiding toegevoegd, die van meet af aan meer was dan alleen maar een toeleven naar de geboorte van Christus. De Advent was niet uitsluitend gespitst op wat ooit in Bethlehem gebeurde, het ging vooral om die oorspronkelijke levenshouding waarmee wij ons openen voor wat telkens opnieuw op ons toetreedt.

In die vierde eeuw, waarin Kerstmis ontstond, schreef bisschop Ambrosius van Milaan het eerste kerstlied dat wij kennen. Van dat allereerste kerstlied raakte in de loop van de eeuwen de eerste strofe (‘Intende qui regis Israel’) zoek, zodat het lied voortaan met de tweede strofe begint: ‘Veni redemptor gentium’, ‘Nun komm, der Heiden Heiland’, ‘Kom, verlosser van de volken’.

Die oude Milanese hymne is door Luther in het Duits en ook qua melodie bewerkt en Bach heeft het meerdere malen in zijn composities gebruikt. Het lied geeft zijn naam aan de cantate van vanavond.


Door heel de cantate heen zingt het thema van het komen. In overeenstemming met de zo even genoemde oudere christelijke traditie, hoor je ook in de cantate dat het komen niet zijn vervulling vindt in wat ooit gebeurde, in een messiaanse geboorte lang geleden. Het komen vindt zijn vervulling in wat hier en nu binnenkomt.

In de aria van de tenor (3) horen we dat het binnenkomt in de viering van de gemeente. Het komende weet ons te bereiken via het woord dat vanaf de kansel wordt gesproken en via de Maaltijd die wordt gevierd. Principieel biedt elke kerkdienst de kans om het komen opnieuw te beleven.

Maar nog persoonlijker meldt zich het komen. In het recitatief van de bas (4) klopt Christus bij ons persoonlijk aan, hij spreekt tot ons, niet vanuit het verleden, als een pasgeboren kind, maar als degene die altijd opnieuw als de komende verwacht mag worden.

En als hij komt, als ik binnenlaat wat komen wil, mijn god, wat is dat zalig! Daar zit hij aan de tafel van mijn huis, hij voelt zich bij mij thuis, hij bewoont mij — zo zingt dansend de sopraan in haar vreugdevolle aria (5).


Henk Gols