Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 177 ‘Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ'

Petruskerk, 11 mei 2014

1. Openingskoor 

Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ,
Ich bitt, erhör mein Klagen,
Verleih mir Gnad zu dieser Frist,
Lass mich doch nicht verzagen;
Den rechten Glauben, Herr, ich mein,
Den wollest du mir geben,
Dir zu leben,
Meinm Nächsten nütz zu sein,
Dein Wort zu halten eben.

 2. Aria (alt) 

Ich bitt noch mehr, o Herre Gott,
Du kannst es mir wohl geben:
Dass ich werd nimmermehr zu Spott,
Die Hoffnung gib darneben,
Voraus, wenn ich muss hier davon,
Dass ich dir mög vertrauen
Und nicht bauen
Auf alles mein Tun,
Sonst wird mich's ewig reuen.

3. Aria (sopraan) 

Verleih, dass ich aus Herzensgrund
Mein' Feinden mög vergeben,
Verzeih mir auch zu dieser Stund,
Gib mir ein neues Leben;
Dein Wort mein Speis lass allweg sein,
Damit mein Seel zu nähren,
Mich zu wehren,
Wenn Unglück geht daher,
Das mich bald möcht abkehren.

4. Aria (tenor) 

Lass mich kein Lust noch Furcht von dir umsonst:

5. Slotkoraal 

Ich lieg im Streit und widerstreb,
Hilf, o Herr Christ, dem Schwachen!
An deiner Gnad allein ich kleb,
Du kannst mich stärker machen.
Kömmt nun Anfechtung, Herr, so wehr,
Dass sie mich nicht umstoßen.
Du kannst maßen,
Dass mir's nicht bring Gefahr;
Ich weiß, du wirst's nicht lassen.











‘Ik roep, ik roep, ik roep…’, klinken de stemmen achter en door elkaar in het openingskoor. Het roepen is indringend, maar niet smartelijk. De sfeer van deze cantate is feestelijk. Er wordt geroepen — maar met verwachting, dansend (3) en met plezier (4). Kwetsbaar verschijnen wij mensen in de cantate, bijvoorbeeld als ons sterven aan de orde is (slot van 4), of als we ons realiseren dat we zomaar omver kunnen worden gestoten (slotkoraal). Toch is vooral is duidelijk dat wij in goede sterke handen zijn (4), dat ons iets genadig gegeven is, dat wij dicht bij iets prachtigs zijn dat zich onafhankelijk van wat wij in het leven al of niet voor elkaar krijgen, aan ons presenteert.

Wat is er de reden voor het lustige, dansende vertrouwen bij het indringende roepen? Het is de aanwezigheid van het woord van God. De protestantse Reformatie heeft iets met het woord. Ze deelt die belangstelling met heel de Renaissance. Oude teksten worden opnieuw gelezen en vertaald. Via nieuw opgediepte woorden gaan werelden open en gaat een oude wereld voorgoed voorbij.

Van het spannende en scheppende woord zingt het koraal dat aan Bach’s cantate 177 ten grondslag ligt (1 en 3). Het is een lied uit het begin van de lutherse Reformatie, van de hand van Johann Agricola (1529). Het kreeg een vaste plek op een van de zondagen van de zomer (de Vierde na Trinitatis), waarop uit het evangelie de volgende woorden van Jezus klinken: 


‘Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. Vergeef, dan zal je vergeven worden. Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’ ‘Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? Hoe kun je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter in je oog verwijderen,” terwijl je de balk in je eigen oog niet ziet? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter in het oog van je broeder of zuster te verwijderen.’ (uit Lucas 6:36-42)


Deze woorden van Jezus maken openingen in onze omgang met elkaar. Een andere wereld lijkt zomaar mogelijk. Het lied van Johann Agricola nu gaat zich met deze woorden uit het evangelie verhouden. Bach bewerkt het lied, met het evangelie in zijn achterhoofd. In de aria van de sopraan (3) roept het ‘Gib mir ein neues Leben’. Maar het nieuwe leven waarom gevraagd wordt, de nieuwe attitude die alles verandert, is niet onbereikbaar ver weg. In de muziek laat Bach horen hoe feestelijk dichtbij het nieuwe leven is waarom wij vragen.

Vlakbij is het. Maar het moet nog gerealiseerd worden. Daarom roep ik, roep ik, roep ik…

In de aria van de alt wordt wat roepen / bidden is subliem weergegeven in de muziek: telkens horen we een notenreeks die niet af wordt gemaakt. Er hapert iets, er blijft in wat ik zeg een opening naar wat nog moet komen, er is iets nog niet af dat wacht op vervulling.

Ik roep, maar ik sta er niet alleen voor. Het roepen wordt in de achtereenvolgende aria’s door steeds meer muzikale stemmen gesteund: de eerste aria is een duet, de volgende een terzet, daarna een kwartet. En het slotkoor munt dit keer niet uit door eenvoud, maar is uitbundig — net als het grandioze openingskoor.

Ik roep — met een nieuwe mogelijkheid van leven onder handbereik. Waar ik om vraag, dat omgeeft me al. Het koraal ‘Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ’ krijgt via Bachs muziek zomaar dat hoopvolle, vrolijke vertrouwen.


Henk Gols