Website Henk Gols

Cantate 159 ‘Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem'

Petruskerk, 13 april 2014

1. Arioso en recitatief

(bas)
Sehet!

(alt)
Komm, schaue doch, mein Sinn,
Wo geht dein Jesus hin?

(bas)
Wir gehn hinauf

(alt)
O harter Gang! hinauf?
O ungeheurer Berg, den meine Sünden zeigen!
Wie sauer wirst du müssen steigen!

(bas)
Gen Jerusalem.

(alt)
Ach, gehe nicht!
Dein Kreuz ist dir schon zugericht',
Wo du dich sollst zu Tode bluten;
Hier sucht man Geißeln vor, dort bindt man Ruten;
Die Bande warten dein;
Ach, gehe selber nicht hinein!
Doch bliebest du zurücke stehen,
So müßt ich selbst nicht nach Jerusalem,
Ach, leider in die Hölle gehen.

2. Aria (alt) en koraal (sopranen)

Ich folge dir nach
Ich will hier bei dir stehen,
Verachte mich doch nicht!
Durch Speichel und Schmach;
Am Kreuz will ich dich noch umfangen,
Von dir will ich nicht gehen,
Bis dir dein Herze bricht.
Dich lass ich nicht aus meiner Brust,
Wenn dein Haupt wird erblassen
Im letzten Todesstoß,
Und wenn du endlich scheiden musst,
Alsdenn will ich dich fassen,
Sollst du dein Grab in mir erlangen.
In meinen Arm und Schoß.

3. Recitatief (tenor)

Nun will ich mich,
Mein Jesu, über dich
In meinem Winkel grämen;
Die Welt mag immerhin
Den Gift der Wollust zu sich nehmen,
Ich labe mich an meinen Tränen
Und will mich eher nicht
Nach einer Freude sehnen,
Bis dich mein Angesicht
Wird in der Herrlichkeit erblicken,
Bis ich durch dich erlöset bin;
Da will ich mich mit dir erquicken.

4. Aria (bas)

Es ist vollbracht,
Das Leid ist alle,
Wir sind von unserm Sündenfalle
In Gott gerecht gemacht.
Nun will ich eilen
Und meinem Jesu Dank erteilen,
Welt, gute Nacht!
Es ist vollbracht!

5. Koraal

Jesu, deine Passion
Ist mir lauter Freude,
Deine Wunden, Kron und Hohn
Meines Herzens Weide;
Meine Seel auf Rosen geht,
Wenn ich dran gedenke,
In dem Himmel eine Stätt
Mir deswegen schenke.









Uitgevoerd op de avond van Palmzondag

Het is volop Passietijd. Vooral deze laatste dagen voor het Paasfeest klinkt op vele plaatsen de Matthäus of de Johannes Passion. Massaal komen wij in Nederland op de passies af — die van Bach of nieuwe, eigentijdse versies. Of we nu kerkelijk zijn of niet, we scharen ons rond het verhaal van Jezus’ lijden en sterven. Want een overtuigender figuur voor het drama van lijden en dood, een betere tekening van zinloos geweld hebben we niet. De gestalte van de lijdende Christus heeft onze westerse cultuur bestempeld. In beeldende kunst, in muziek, in literatuur blijven wij voorgoed de gepassioneerde Christus tegenkomen. Zijn vragende ogen kijken ons ongemakkelijk aan, zijn lijden bergt alle menselijke lijden, zijn bespotting en vernedering onthullen hoe wij verkeerd met elkaar omgaan, het verraad aan hem herinnert ons pijnlijk aan elk moment dat wij onze verantwoordelijkheid jegens een kwetsbaar medemens niet hebben waargemaakt door weg te kijken. Desalniettemin biedt de Christusfiguur ook troost: hij is immers zonder verwijt, zonder enig spoor van wraak. Hij is een soort liefste. De aria’s in Bach’s grote passies getuigen van die liefde. ‘Waar is je lief naartoe gegaan?’, zingt het aan het begin van het tweede deel van de Matthäus. De gruwelijk gekruisigde Jezus wordt er bezongen als een liefste met zijn handen uitgestrekt, een uitnodigende gestalte van ultieme geborgenheid. Een blijvende mogelijkheid van verlossing voor ons die hopeloos gevangen zitten in spiralen van schuld en onmacht, in de puinhopen die wij aanrichten. In het tweede deel van de cantate van vanavond houd ik (net als in de aria ‘Mache dich, mein Herze, rein’ in de Matthäus) Jezus als een dode liefste geborgen ‘in mijn arm en schoot’. 

Hier in de Petruskerk op deze avond van Palmzondag klinkt geen complete passie. En toch is in in tekst en muziek van de cantate die nu klinkt het nodige van de grote passies te herkennen. De cantate is geschreven voor de zondag die aan de Veertigdagen voor Pasen voorafgaat, dat is zes zondagen terug. In de sobere Veertigdagen klonk in Leipzig geen concertante muziek. Pas weer met de passies in de Goede Week, op Goede Vrijdag. Over de stille weken heen spant Bach door middel van de cantate die wij nu horen, een grote boog.

Aanzetten voor de grote passies zijn in deze cantate al te horen. Subliem volgt de muziek stap voor stap de evangelietekst: de woorden die Jezus spreekt aan het begin van zijn opgang vanuit Galilea naar Jeruzalem: ‘Ziet, / wij gaan op / naar Jeruzalem!’ Maar daarbij, tussendoor, erna de reactie van de alt. Er ontstaat een dialoog zoals we die ook kennen uit de Matthäus Passion (vergelijk het ‘wen?’ ‘was?’ ‘wie?’ ‘wohin?’ uit het openingskoor). Zo horen we de gelovige respons van de individuele ziel, die van de weg van Jezus niets begrijpt maar zich uiteindelijk toch toevertrouwt en Jezus volgt.

In recitatief en aria krijgen persoonlijke gevoelens de ruimte.

Door de aria van de alt (2) vlecht zich een koraal. Het is een van de coupletten van ‘O Haupt voll Blut und Wunden’, het kerklied dat in de Matthäus Passion een terugkerend gegeven is. In de Matthäus klinkt het couplet ‘Ich will hier bei dir stehen’ halverwege het eerste deel, nadat Jezus heeft voorzegd dat Petrus hem driemaal zal verloochenen, waarop Petrus reageert dat hij dat absoluut nooit zal doen.

Tegenover de innerlijkheid die opklinkt in recitatief en aria, staat de objectiviteit van het koraal. In het koraal zingt de gemeenschap, de kerk van de eeuwen. Met de stem van de sopraan zingt het koraal boven de individuele mogelijkheden uit. Streng is het koraal, stevig, vormvast, stralend ook. Prachtig vlechten de innige beleving van de alt en het zingen van de kerkgemeenschap zich door elkaar. Ze verstevigen elkaar, ze hebben elkaar nodig; samen, de persoonlijke invulling en de aangereikte gemeenschappelijke vorm, maken ze het volgen van Jezus mogelijk.

Ook in de grote passies vinden we dat zo telkens weer: het koraal met zijn sterke, sobere structuur en de virtuoze, bewogen reacties van de solisten in hun vrije stukken. Dat alles als omspeling en uitwerking van de onaantastbare evangeliewoorden.

Het hoogtepunt van de cantate vormt de aria van de bas (4): ‘Het is volbracht’. Tekst en muziek ademen een volmaakte rust. Er ontstaat een verstild weefsel, de hobo trekt grote bogen, de dingen vallen op hun plek, alle spanning lost op, het is klaar nu. Het lijden is klaar. ‘Wir sind von unserm Sündenfalle / in Gott gerecht gemacht’: er is van alles fout gegaan, maar dat telt niet meer, we slepen het niet langer mee. Christus is door het eeuwige menselijke tekort, door de vicieuze cirkels van de schuld heen gebroken, alles ligt open, het is o.k. nu.

In dit gedeelte van ultieme rust komt nog even iets van beweging als de bas zingt: ‘Nu wil ik snel naar jou toe om je te danken.’ Maar die dankbare beweging verstilt weer in het ‘gute Nacht’ en de laatste woorden: ‘es ist vollbracht.’

Verlossing is niet iets wat we zelf organiseren, is geen prestatie, maar wordt geschonken. Dat is een hoofdthema uit het evangelie en uit uit de lutherse traditie van Bach — en te horen aan deze aria en de vele prachtige aria’s uit de grote passies moet het voor Bach alles betekend hebben: dat in de dramatische neergang van de christusfiguur een beslissing is gevallen: het verleden hoeft ons niet langer te belasten en te misvormen, bij voorbaat zijn wij vrijgesproken, we blijken volkomen aanvaard. Het gaat nooit meer nergens naartoe, we zijn terecht.

Zo therapeutisch, zo verlossend, zo inclusief behoudt dit gegeven een plek in het hart van onze cultuur. We komen er niet meer van los.

De vreugde om dit gegeven wordt onderstreept in het slotkoraal.


Henk Gols


Klik hier voor een eerdere bespreking