Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 14  'Wär Gott nicht mit uns diese Zeit'

Petruskerk, 9 februari 2014

1. Openingskoor 

Wär Gott nicht mit uns diese Zeit,
So soll Israel sagen,
Wär Gott nicht mit uns diese Zeit,
Wir hätten müssen verzagen,
Die so ein armes Häuflein sind,
Veracht' von so viel Menschenkind,
Die an uns setzen alle.

 2. Aria (sopraan) 

Unsre Stärke heißt zu schwach,
Unserm Feind zu widerstehen.
    Stünd uns nicht der Höchste bei,
    Würd uns ihre 
    Bald bis an das Leben gehen.

 3. Recitatief (tenor) 

Ja, hätt es Gott nur zugegeben,
Wir wären längst nicht mehr am Leben,
Sie rissen uns aus Rachgier hin,
So zornig ist auf uns ihr Sinn.
Es hätt uns ihre Wut
Wie eine wilde Flut
Und als beschäumte Wasser überschwemmet,
Und niemand hätte die Gewalt gehemmet.

 4. Aria (bas) 

Gott, bei deinem starken Schützen
Sind wir vor den Feinden frei.
   Wenn sie sich als wilde Wellen
   Uns aus Grimm entgegenstellen,
   Stehn uns deine Hände bei.

5. Slotkoraal 

Gott Lob und Dank, der nicht zugab,
Dass ihr Schlund uns möcht fangen.
Wie ein Vogel des Stricks kömmt ab,
Ist unsre Seel entgangen:
Strick ist entzwei, und wir sind frei;
Des Herren Name steht uns bei,
Des Gottes Himmels und Erden.




















Je kunt comfortabel vanuit je stoel een ander tot je vijand verklaren. Zonder dat een ontmoeting heeft plaatsgehad, zonder de ander in de ogen te hebben gezien, op basis van vooroordelen, aangestuurd door irrationele onderbuikgevoelens. Om eigen positie en populariteit te verstevigen, kun je zomaar anderen wegzetten als mensen die bestreden moeten worden. Dat gebeurt tragisch genoeg overal en steeds weer. In de tekst van deze cantate is ook sprake van de vijand. Maar het is niet dat ik de ander per se als vijand wil zien. De vijand is degene die mijn leven feitelijk bedreigt, die het heeft gemunt op mijn ziel, mijn eigenste ik, mijn ware identiteit.

De cantatetekst is een vrije bewerking van een bijbelse psalm, psalm 124. Luther heeft die psalm in 1524 omgewerkt tot het berijmde, strofische kerklied (koraal) ‘Wär Gott nicht mit uns diese Zeit’. Dat lied ligt ten grondslag aan de gelijknamige cantate van vanavond.

In Leipzig heeft Bach in de jaargang 1724-1725 voor bijna elke zondag een cantate gecomponeerd met een bestaand koraal als uitgangspunt. Maar voor de vierde zondag na Epifanie (Driekoningen) had hij er nog geen geschreven: vanwege de vroege paasdatum in 1725 verviel die zondag in het lutherse kerkelijke jaar. Tien jaar later vult Bach alsnog de leemte op.

Op die Vierde zondag na Epifanie werd en wordt volgens de lutherse traditie het Evangelie gelezen van de storm op zee (Matteüs 8:23-27): een dramatisch beeld van samenleven dat bedreigd wordt. De evangelielezing werd gecombineerd met het koraal dat Luther maakte op psalm 124.

De oorspronkelijke psalm is als volgt:


Terecht kan Israël zeggen:
was God niet vóór ons geweest
toen de mensen tegen ons waren,
was God niet vóór ons geweest,
ze hadden ons levend verslonden,
wij waren verbrand in hun woede,
het water had on besprongen,
de vloed ons meegesleurd,
en in de kolkende golven
zouden wij zijn vergaan.

Maar God, Hij zij geloofd,
heeft ons gespaard voor hun tanden.
Wij zijn ontsnapt, als een vogel
aan het net van een vogelaar;
het net is gescheurd
en wij zijn gevlogen —

Onze hulp is in de Naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.

          

(vertaling uit: Vijftig psalmen. Proeve van een nieuwe vertaling,
door Huub Oosterhuis en Michel van der Plas,
in samenwerking met Pius Drijvers en Han Renckens, 1967)


Ternauwernood zijn we ontkomen aan onze ondergang — zo zingt deze psalm, een gedicht, eeuwen voor onze jaartelling ontstaan in een bedreigde joodse gemeenschap, ‘Israël’. Dodelijk bedreigde gemeenschappen wanneer en waar ook zullen zich erin kunnen herkennen. Luther maakte de bewerking van deze psalm in de allereerste jaren van de Reformatie, toen het denken en geloven-op-een-nieuwe-manier onder grote druk stond. En Bach — wat heeft Bach in 1735 als actuele dreiging ervaren? Hoe zag Europa er toen uit? Die 18e eeuw, die zou uitlopen op de Franse revolutie? Was er buiten het bedreigende dat je altijd wel in de privé-sfeer kunt beleven, nog iets groters?

In deze koraalcantate vinden we het eerste en laatste couplet van Luthers psalmberijming van drie strofen terug in respectievelijk het openings- en slotkoor. De middendelen van de cantate vormen een vrije bewerking van Luthers middelste strofe en van het evangelie van de storm op zee. De aria van de sopraan (met de triomfantelijke hoorn in hoog register), het recitatief van de tenor en de aria van de bas maken hoorbaar hoe spannend het is. Bijna was het misgegaan. Maar de strik waarin we bijkans gevangen waren, is doormidden — en wij zijn vrij!, zingt het slotkoor ontspannen.


Henk Gols