Cantate 44 ‘Sie werden euch in den Bann tun’

Onverbiddelijk, dreigend, huiveringwekkend is de sfeer in het begin van de cantate, als in de muziek de volgende woorden van Jezus worden tot klinken worden gebracht:

‘Ze zullen jullie in de ban doen.
Ja de tijd komt dat wie jullie doodt, zal menen daarmee God een dienst te doen.’
(Johannes 15:2)

‘Ze zullen jullie in de ban doen’, zingen tenor en bas. Ze gooien je eruit, ze zetten je uit de synagoge, uit de kerk. Je bent ongewenst, je hoort er niet meer bij.
  Dan valt het koor in; de muziek giert en huilt: ‘Ja de tijd komt dat wie jullie doodt, zal menen daarmee God een dienst te doen.’

Het is de eenzame zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren. In de christelijke traditie zijn het de dagen van het alleengelaten worden. De adem stokt. De cantate die bij deze zondag hoort, zet in met een tekst uit het evangelie van Johannes, een gedeelte uit Jezus’ afscheidswoorden (Johannes 13-17), een passage die siddert is van angst en schrik. De cantate richt zich troostend tot al diegenen die vanwege hun geloof eenzaam werden. Tot al die bevlogenen die om hun woorden en daden van een nieuw vertrouwen, de instituties tegen zich kregen; die weerloos tegen een hele heidense wereld moesten opboksen, maar tot hun verbijstering óók tegen de gezagsdragers van de eigen godsdienst. Fel en dramatisch wordt de weerstand neergezet —de weerstand vanaf het begin van de christelijke beweging, al in de tijd van het evangelie van Johannes, eind eerste eeuw; maar Bach zal ook gedacht hebben aan de nieuwe gelovigen in de tijd van de Reformatie die door het kerkelijke instituut werden achternagezeten.
  In je spreken en handelen dichtbij Christus willen zijn, blijkt een felle tegenreactie op te kunnen roepen: ‘anti-christ’ heet het woedende monster dat te vuur en te zwaard de mensen met een nieuw vertrouwen te lijf gaat (5). Nota bene, de kerk, met al haar verheven praat over God, kan anti-christelijk zijn — wordt in deze cantate geweten en beleden.

Op het eind van het recitatief van de bas (5) verschijnen twijgen van palmen. Opschietende palmbomen komen in de bijbelse psalmen voor als beeld van de rechtvaardigen. In de barok heette het dat palmen beter en steviger groeien als je ze onder druk zet, als je er een gewicht op laat drukken (palma sub pondere crescit). Van weerstand word je sterker.
  In de aria van de sopraan (6) breekt de zon door, krachtig en vreugdevol.
  In de cantate zingt het zodoende naar het vertrouwen toe dat weerstand de weerlozen niet zal breken. Laat maar woeden, laat maar stormen, laat maar gaan zoals het gaat — zingt het troostend, op deze verweesde zondag, net alsof je in je radeloosheid, bij al je kwetsuren, behoed wordt.

Henk Gols

© Henk Gols 2013