Website Henk Gols

Cantate 26 ‘Ach wie flüchtig, ach wie nichtig’

Petruskerk, 10 november 2013

1. Openingskoor

Ach wie flüchtig, ach wie nichtig
Ist der Menschen Leben!
Wie ein Nebel bald entstehet
Und auch wieder bald vergehet,
So ist unser Leben, sehet!

2. Aria (tenor)

So schnell ein rauschend Wasser schießt,
So eilen unser Lebenstage.
   Die Zeit vergeht, die Stunden eilen,
   Wie sich die Tropfen plötzlich teilen,
   Wenn alles in den Abgrund schießt.

3. Recitatief (alt)

Die Freude wird zur Traurigkeit,
Die Schönheit fällt als eine Blume,
Die größte Stärke wird geschwächt,
Es ändert sich das Glücke mit der Zeit,
Bald ist es aus mit Ehr und Ruhme,
Die Wissenschaft und was ein Mensche dichtet,
Wird endlich durch das Grab vernichtet.

4. Aria (bas)

An irdische Schätze das Herze zu hängen,
Ist eine Verführung der törichten Welt.
   Wie leichtlich entstehen verzehrenden Gluten,
   Wie rauschen und reißen die wallenden Fluten,
   Bis alles zerschmettert in Trümmern zerfällt.

5. Recitatief (sopraan)

Die höchste Herrlichkeit und Pracht
Umhüllt zuletzt des Todes Nacht.
Wer gleichsam als ein Gott gesessen,
Entgeht dem Staub und Asche nicht,
Und wenn die letzte Stunde schläget,
Daß man ihn zu der Erde träget,
Und seiner Hoheit Grund zerbricht,
Wird seiner ganz vergessen.

6. Slotkoraal

Ach wie flüchtig, ach wie nichtig
Sind der Menschen Sachen!
Alles, alles, was wir sehen,
Das muß fallen und vergehen.
Wer Gott fürcht', bleibt ewig stehen.

Het openingskoor en het slotkoor van deze vluchtige cantate voor zondag 19 november 1724 worden gevormd door respectievelijk het eerste en het laatste couplet van een kerklied van van de hand van Michaël Franck (1609-1667). De tussenliggende elf (!) coupletten van dat lied zijn door een ons onbekende tekstdichter ingedikt tot een korte tekst, die geschikt is om er aria’s en recitatieven van te maken.

Het lied van Franck stamt uit 1652. De Dertigjarige Oorlog (1618-1648) is dan nog maar enkele jaren voorbij. Het lied werd in Duitsland bijzonder populair: blijkbaar bracht het onder woorden hoe men het leven ervoer, gehavend en ontwricht als men door de oorlog was.


Bachs muziek laat horen wat de tekst uitdrukt. In de cantate rent en jaagt en stroomt het; het schiet het alle kanten op, het roept en verliest zich. Wat een haast, een onrust. Het spet, breekt, tikt weg, het kantelt en zijgt ineen. Overal fragmenten, gruizels, brokstukken. Vreugde slaat om in verdriet, wat prachtig bloeide is al verlept en ziet er niet meer uit. Je positie, je status, je roem, alles wat je wist, je creativiteit, dat waar je goed in was—er blijft niets van over. En wat een dwaasheid dat je maar bezig bleef spullen om je heen te verzamelen—waarvoor deed je het? Je bent zomaar alles kwijt. Of je bent er zelf niet meer, zonder zelfs een herinnering na te laten. Alle pracht, alle chique, het is uiteindelijk de omhulling van een holle dodelijke leegte. Je houdt geen stand in de gloeiende gloed, je blijft nergens als de vloed je overspoelt.

Met mooie beelden en breekbare muziek wordt de vergankelijkheid van het mensenleven opgeroepen. Macaber klinkt in de aria van de bas de dodendans. Klagend zingt de koraalmelodie.


Zowel in het lange lied van Franck als in de cantate wordt de uitdrukking van de menselijke  vluchtigheid en nietigheid tot en met de een na laatste regel volgehouden. Dan komt plotseling, bij verrassing, de laatste regel (de laatste twee maten van de cantate): ‘Wie God vreest, blijft eeuwig staande.’

Daar was je niet op voorbereid. De hele cantate lang werd je een andere kant opgestuurd, en nu deze onverhoedse ommezwaai.

‘Wie God vreest’—in religieuze teksten is god is de code voor het blijvende geheim voor en achter, boven en onder de dingen die voorbijgaan. Prima om te onderkennen hoe brokkelig en vluchtig het leven is, maar we gaan niet depressief en bangig doen. Onze eerbiedige huiver geldt bij alles dat ons dreigt weg te vagen, het geheim dat aan slechts één regel genoeg heeft. Een paar woorden maken dat we overeind durven komen.


Bach maakte deze cantate voor de zondag waarop in de lutherse kerk het evangelie wordt gelezen van de doodverklaarde dochter van de leider van de synagoge te Kafarnaüm (Matteüs 9:18-26). Jezus pakt het meisje bij de hand en kijk, ze staat op. Want doodgaan kan altijd nog, maar eerst mag er geleefd worden. Voluit en zonder angst graag. Alsof er dat geheim is.


Henk Gols