Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 48 'Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen'

Petruskerk,
14 oktober 2012

1. Koor

Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen vom Leibe dieses Todes?

2. Recitatief (alt) 

O Schmerz, o Elend, so mich trifft,
Indem der Sünden Gift
Bei mir in Brust und Adern wütet:
Die Welt wird mir ein Siech- und Sterbehaus,
Der Leib muss seine Plagen
Bis zu dem Grabe mit sich tragen.
Allein die Seele fühlet den stärksten Gift,
Damit sie angestecket;
Drum, wenn der Schmerz den Leib des Todes trifft,
Wenn ihr der Kreuzkelch bitter schmecket,
So treibt er ihr ein brünstig Seufzen aus.

3. Koraal

Solls ja so sein,
Dass Straf und Pein
Auf Sünde folgen müssen,
So fahr hie fort
Und schone dort
Und lass mich hie wohl büßen.

4. Aria (alt) 

Ach, lege das Sodom der sündlichen Glieder,
Wofern es dein Wille, zerstöret darnieder!
Nur schone der Seele und mache sie rein,
Um vor dir ein heiliges Zion zu sein.

5. Recitatef (tenor) 

Hier aber tut des Heilands Hand
Auch unter denen Toten Wunder.
Scheint deine Seele gleich erstorben,
Der Leib geschwächt und ganz verdorben,
Doch wird uns Jesu Kraft bekannt:
Er weiß im geistlich Schwachen
Den Leib gesund, die Seele stark zu machen.

6. Aria (tenor) 

Vergibt mir Jesus meine Sünden,
So wird mir Leib und Seele gesund.
Er kann die Toten lebend machen
Und zeigt sich kräftig in den Schwachen,
Er hält den längst geschlossnen Bund,
Dass wir im Glauben Hilfe finden.

7. Slotkoraal

Herr Jesu Christ, einiger Trost,
Zu dir will ich mich wenden;
Mein Herzleid ist dir wohl bewusst,
Du kannst und wirst es enden.
In deinen Willen seis gestellt,
Mach's, lieber Gott, wie dir's gefällt:
Dein bleib und will ich bleiben.

‘Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen?’

De cantate begint met de vraag hoe ik verlossing vind. Het koor doet niet anders dan de vraag herhalen, weemoedig (1).

Het is de vraag van alle tijden. Omdat het des mensen is verstrikt te raken. Zo verstrikt dat het je niet lukt jezelf los te krijgen. Er is iets misgegaan in je leven en je slaagt er niet in het te repareren. Je wilt wel maar kunt het niet. In de taal van de Bijbel en van Bach heet dat ‘zonde’. Wat zonde van mijn leven dat het zo is gegaan, dat ik zo koos of niet koos, dat ik mij liet meeslepen, dat ik heb toegegeven, dat ik in de val ben getrapt. De kluwen van misstap, domheid, verblinding, schuld, last die me te zwaar wordt, de vervuiling van mijn leven en dat van anderen, het moeras waarin ik terechtkom — dat alles wordt gevangen in het in onze oren sleets geworden woord ‘zonde’. Maar de werkelijkheid achter dat woord is actueel. Een meer hedendaags begrip uit de psychologie is double bind. Je bent dubbel ingewikkeld. Je wilt loskomen maar voelt je meer dan ooit gevangen. ‘Wees jezelf’ — maar dat kun je nu juist niet. ‘Ontspan je’ — maar je raakt steeds meer verkrampt. ‘Laat los’ — maar dat is nu juist het probleem. ‘Doe eens lief!’ — maar dat gaat niet op commando.

In de de Thomaskirche van Leipzig, waar op zondag 3 oktober 1723 Bach’s cantate ‘Ich elender Mensch’ voor het eerst werd uitgevoerd, werd het evangelie gelezen van de verlamde man. Ik lees het u voor:


Jezus stapte weer in de boot en stak over, terug naar zijn eigen stad. Daar probeerden een paar mensen een verlamde bij hem te brengen die op een draagbed lag. Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Wees gerust, uw zonden worden u vergeven.’ Daarop zeiden enkele schriftgeleerden bij zichzelf: Wat een godslasterlijke taal! Jezus doorzag hun gedachten en zei: ‘Waarom hebt u zulke boosaardige gedachten? Wat is gemakkelijker, te zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op en loop”? Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde: ‘Sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ En hij stond op en ging naar huis. (Matteüs 9:1-7)


Verlamming als beeld van de verstrikking. Die man staat uit zichzelf niet op. Zijn verlamming wordt in het verhaal gekoppeld aan wat er in zijn leven is misgegaan: de zonden dus. Verlossing is niet iets wat die man zelf organiseert. Tegen hem zeggen ‘sta op uit je verlamming!’ helpt niet. ‘Je moet jezelf vergeven’ — werkt niet. De oplossing blijkt van buiten te komen. Allereerst een paar mensen die hem dragen — nee, in je eentje speel je het niet klaar. De verlamde wordt naar Jezus gedragen. In het evangelie en voor Bach is Jezus de figuur die verlossing betekent. Als hij mij de vergeving aanzegt en mij roept, sta ik op.

Die verlossende Jezus-figuur, naar wie ik toe moet, laat zich al verborgen horen in het openingskoor (1). Terwijl het koor steeds opnieuw de vraag naar de verlossing stelt, spelen trompet en hobo’s de melodie van een koraal: het is de melodie van het slotkoraal van de cantate (de laatste strofe van het gezang ‘Herr Jesu Christ, ich schreie zu dir’), maar ook nog van nog een ander in die tijd bekend lied (‘Herr Jesu Christ, du höchstes Gut’). Twee kerkliederen die de toenmalige toehoorders met de koraalmelodie zullen hebben geassocieerd en die beiden beginnen met ‘Herr Jesu Christ’. Zo komt woordeloos via de muziek de gestalte van Christus al binnen. Het duurt in de cantate nog even voor hij met name wordt genoemd. Eerst (2-4) wordt door solisten en koor nog gezocht in welke richting de verlossing moet worden gevonden. In mij is een dubbelheid: het goede en het kwade. Lijf en ziel lijken tegen elkaar te moeten worden uitgespeeld. Moet ik dan maar accepteren dat ik gespleten ben? Moet ik aanvaarden dat ik fysiek pijn lijdt, dat ik hier en nu gestraft wordt, in de hoop dat toch mijn ziel straks wordt gered (koraal, 3)? Ik ben niet één, maar twee tegelijk: de verdorven stad Sodom ben ik, maar ik bid dat desondanks mijn ziel een ‘heilig Sion’ mag zijn (aria van de alt, 4).

De Christusfiguur echter betekent de opheffing van de gespletenheid. Tegen de verlamde zegt hij niet alleen ‘je zonden worden je vergeven’, maar ook ‘sta op en loop!’ Lijf en ziel horen bijeen, geen gespletenheid meer maar heelheid, geen dualisme maar eenheid. Niets blijft onverlost.


Een cantate die ons bij de hand neemt op weg naar verlossing. Achter onze ellendige vraag naar verlossing blijkt een melodie hoorbaar: de muziek reikt vanaf het begin een antwoord aan. Verlossing lukt niet zonder gedragen te worden: Bach draagt ons door zijn muziek en helpt ons te ontvangen wat op een gegeven moment (nee, we maken het niet zelf) op ons toekomt en onze verlamming doorbreekt.


Henk Gols