Website Henk Gols

Cantate 20 ‘O Ewigkeit, du Donnerwort’

Petruskerk, 10 juni 2012

- Eerste deel -

1. Openingskoor 

O Ewigkeit, du Donnerwort,
O Schwert, das durch die Seele bohrt,
O Anfang sonder Ende!
O Ewigkeit, Zeit ohne Zeit,
Ich weiß vor großer Traurigkeit
Nicht, wo ich mich hinwende.
Mein ganz erschrocken Herz erbebt,
Dass mir die Zung am Gaumen klebt.

2. Recitatief (tenor) 

Kein Unglück ist in aller Welt zu finden,
Das ewig dauernd sei:
Es muss doch endlich mit der Zeit einmal verschwinden.
Ach! aber ach! die Pein der Ewigkeit hat nur kein Ziel;
Sie treibet fort und fort ihr Marterspiel,
Ja, wie selbst Jesus spricht,
Aus ihr ist kein Erlösung nicht.

3. Aria (tenor) 

Ewigkeit, du machst mir bange,
Ewig, ewig ist zu lange!
Ach, hier gilt fürwahr kein Scherz.
Flammen, die auf ewig brennen,
Ist kein Feuer gleich zu nennen;
Es erschrickt und bebt mein Herz,
Wenn ich diese Pein bedenke
Und den Sinn zur Höllen lenke.

4. Recitatief (bas)

Gesetzt, es dau'rte der Verdammten Qual
So viele Jahr, als an der Zahl
Auf Erden Gras, am Himmel Sterne wären;
Gesetzt, es sei die Pein so weit hinausgestellt,
Als Menschen in der Welt
Von Anbeginn gewesen,
So wäre doch zuletzt
Derselben Ziel und Maß gesetzt:
Sie müßte doch einmal aufhören.
Nun aber, wenn du die Gefahr,
Verdammter! tausend Millionen Jahr
Mit allen Teufeln ausgestanden,
So ist doch nie der Schluss vorhanden;
Die Zeit, so niemand zählen kann,
Fängt jeden Augenblick
Zu deiner Seelen ewgem Ungelück
Sich stets von neuem an.

5. Aria (bas) 

Gott ist gerecht in seinen Werken:
Auf kurze Sünden dieser Welt
Hat er so lange Pein bestellt;
Ach wollte doch die Welt dies merken!
Kurz ist die Zeit, der Tod geschwind,

Bedenke dies, o Menschenkind!

6. Aria (alt) 

O Mensch, errette deine Seele,
Entfliehe Satans Sklaverei
Und mache dich von Sünden frei,
Damit in jener Schwefelhöhle
Der Tod, so die Verdammten plagt,
Nicht deine Seele ewig nagt.
O Mensch, errette deine Seele!

7. Koraal

Solang ein Gott im Himmel lebt
Und über alle Wolken schwebt,
Wird solche Marter währen:
Es wird sie plagen Kält und Hitz,
Angst, Hunger, Schrecken, Feu'r und Blitz
Und sie doch nicht verzehren.
Denn wird sich enden diese Pein,
Wenn Gott nicht mehr wird ewig sein.

- Tweede deel -

8. Aria (bas) 

Wacht auf, wacht auf, verlornen Schafe,
Ermuntert euch vom Sündenschlafe
Und bessert euer Leben bald!
Wacht auf, eh die Posaune schallt,
Die euch mit Schrecken aus der Gruft
Zum Richter aller Welt vor das Gerichte ruft!

9. Recitatief (alt) 

Verlass, o Mensch, die Wollust dieser Welt,
Pracht, Hoffart, Reichtum, Ehr und Geld;
Bedenke doch
In dieser Zeit annoch,
Da dir der Baum des Lebens grünet,
Was dir zu deinem Friede dienet!
Vielleicht ist dies der letzte Tag,
Kein Mensch weiß, wenn er sterben mag.
Wie leicht, wie bald
Ist mancher tot und kalt!
Man kann noch diese Nacht
Den Sarg vor deine Türe bringen.
Drum sei vor allen Dingen
Auf deiner Seelen Heil bedacht!

10. Aria (duet alt en tenor)

O Menschenkind,
Hör auf geschwind,
Die Sünd und Welt zu lieben,
Dass nicht die Pein,
Wo Heulen und Zähnklappen sein,
Dich ewig mag betrüben!
Ach spiegle dich am reichen Mann,
Der in der Qual
Auch nicht einmal
Ein Tröpflein Wasser haben kann!

11. Slotkoraal 

O Ewigkeit, du Donnerwort,
O Schwert, das durch die Seele bohrt,
O Anfang sonder Ende!
O Ewigkeit, Zeit ohne Zeit,
Ich weiß vor großer Traurigkeit
Nicht, wo ich mich hinwende.
Nimm du mich, wenn es dir gefällt,
Herr Jesu, in dein Freudenzelt!

Wat een schrik, wat een angst en pijn! Johann Rist dichtte in 1642 het overdonderende koraal waarop Bach in 1724 zijn gelijknamige cantate baseert: ‘O Ewigkeit, du Donnerwort’. Rist was dominee én poëet. In zijn tijd was hij een dichter van formaat. Zijn oeuvre werd bekroond en de keizer verhief hem in de adelstand. ‘O Ewigkeit, du Donnerwort’ is zijn beroemdste kerklied. Het is een staaltje dramatische barokpoëzie, bedoeld om gezongen te worden op de zondag waarop in de lutherse kerk de parabel wordt gelezen van de rijke man en de arme Lazarus:


Zomaar een mens was rijk;
hij ging gekleed in purper en lijnwaad
en vierde iedere dag schitterend feest.
Zomaar een arme, genaamd Lazarus,
lag als een vod bij zijn poort,
ónder de zweren,
vol verlangen om verzadigd te worden
met wat omlaagviel van de tafel van de rijke;
maar de honden waren er eerder bij,
en likten ook nog aan zijn zweren.
Dan geschiedt het:
de arme sterft
en wordt door de engelen weggedragen
naar de schoot van Abraham;
dan sterft ook de rijke:
hij krijgt een begrafenis.

(vertaling Naardense Bijbel)


Arme rijke. In het evangelie wordt hij niet weggehoond. Er klinkt grote bekommernis om de rijke. ‘Kind!’ spreekt Abraham hem toe als de eindeloze eeuwigheid zich vult met zijn pijn om de keus die hij bij zijn leven niet heeft gemaakt: die van het ingaan op het appèl van de arme aan de poort van zijn schitterende bestaan.

Een zelfde bekommernis klinkt in het lied van Rist, die alle barokke registers opentrekt om de ogen van de rijke te openen voor de keus die nu nog een mogelijkheid is. Bach heeft zich in het koraal ingeleefd en vertolkt de deernis met de rijke muzikaal. Het schrikbeeld van eeuwige spijt, een kwelling zonder ophouden, vlammende pijn — het wordt in de muziek beeldend neergezet, onrustig en duister, schrijnend en beklemmend. Maar vol mededogen dus voor dat arme rijke mensenkind. Bijzonder aangrijpend en indringend van toon is de aria van de alt (6).  Ernstig en tegelijkertijd liefdevol klinkt het: ‘O Mensch, errette deine Seele!’ O mens, red je ziel! Met name in het begin van de aria bewegen notenreeksen omhoog: er is een mogelijkheid om te ontsnappen aan martelende eeuwige zinloosheid.

Het tweede hoofddeel van de cantate (vanaf 8) bazuint dat de kans nu echt gegrepen moet worden. Wakker worden nu! Ophouden met je te verlustigen in pracht en praal, in rijkdom, eer en geld (9). Spiegel je maar aan de rijke man uit het evangelie, die zou willen dat de arme Lazarus in Abrahams schoot het topje van zijn vinger doopte in het water om hem, de rijke, in de hitte van zijn kwelling een béétje te verkoelen (10)! Hoopvolle beelden verschijnen: een groenende levensboom, de woorden ‘vrede’ en ‘heil’ vallen tussen koude regels van de dood (9).

De tekst van het slotkoraal is bijna gelijk aan die van het openingskoor. Alleen de laatste twee regels verschillen. De uiting van enorme schrik in het openingskoor maakt plaats voor een bede tot Christus om te mogen worden opgenomen in de ‘tent van de vreugde’.

Ja, want het beklemmende en dreigende is niet het enige perspectief. Dat beseffen de lutherse poëten en muzikanten uit de 17e en 18e eeuw terdege. Het is om uitermate somber van te worden dat je korte leven voor eeuwig zonder betekenis zou zijn. Maar uit de pijnlijke onbeduidendheid van een bestaan waarin je alleen maar goed voor jezelf zorgt, kun je wegstappen. Besluit je dat, dan is er meteen van het dreigende en beklemmende niets meer over. Helemaal niets meer om bang voor te wezen. Die wonderlijke switch, die totale wisseling van perspectief, is mogelijk in de gelovige wereld waartoe Bach behoorde.

Het verbaast dan ook niet dat 55 jaar nadat Johann Rist zijn beangstigende koraal schreef, de Beierse dominee Kaspar Heunisch zich gedrongen voelde een zeer gelijkende en tevens totaal andere versie te maken (1692). In plaats van ‘O Ewigkeit, du Donnerwort’ dichtte hij: ‘O Ewigkeit, du Freudenwort’. In het herschreven koraal vult de bange eindeloze ruimte van de eeuwigheid zich met louter vreugde.

De stap is zó gemaakt. Jij, rijke, mensenkind, red je ziel, liever vandaag dan morgen!

En de rijken in de Thomaskirche van Leipzig op zondag 11 juni 1724 — hebben die in de spiegel van de cantate durven kijken? Of was het alleen maar mooie muziek?


Henk Gols