Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 157 ‘Ich lasse dich nicht, du segnest mich denn!’

Petruskerk, 10 maart 2013

1. Aria (duet tenor en bas) 

Ich lasse dich nicht, du segnest mich denn!

 2. Aria (tenor) 

Ich halte meinen Jesum feste,
Ich lass ihn nun und ewig nicht.
Er ist allein mein Aufenthalt,
Drum fasst mein Glaube mit Gewalt
Sein segenreiches Angesicht;
Denn dieser Trost ist doch der beste.

 3. Recitatief (tenor)  

Mein lieber Jesu du,
Wenn ich Verdruss und Kummer leide,
So bist du meine Freude,
In Unruh meine Ruh
Und in der Angst mein sanftes Bette;
Die falsche Welt ist nicht getreu,
Der Himmel muss veralten,
Die Lust der Welt vergeht wie Spreu;
Wenn ich dich nicht, mein Jesu, hätte,
An wen sollt ich mich sonsten halten?
Drum lass ich nimmermehr von dir,
Dein Segen bleibe denn bei mir.

4. Aria, recitatief en arioso (bas)

Ja, ja, ich halte Jesum feste,
So geh ich auch zum Himmel ein,
Wo Gott und seines Lammes Gäste
In Kronen zu der Hochzeit sein.
Da lass ich nicht, mein Heil, von dir,
Da bleibt dein Segen auch bei mir.
Ei, wie vergnügt
Ist mir mein Sterbekasten,
Weil Jesus mir in Armen liegt!
So kann mein Geist recht freudig rasten!
Ja, ja, ich halte Jesum feste,
So geb ich auch zum Himmel ein!
O schöner Ort!
Komm, sanfter Tod, und führ mich fort,
Wo Gott und seines Lammes Gäste
In Kronen zu der Hochzeit sein.
Ich bin erfreut,
Das Elend dieser Zeit
Noch von mir heute abzulegen;
Denn Jesus wartet mein im Himmel mit dem Segen.
Da lass ich nicht, mein Heil, von dir,
Da bleibt dein Segen auch bei mir.

5. Koraal 

Meinen Jesum lass ich nicht,
Geh ihm ewig an der Seiten;Christus lässt mich für und fürZu dem Lebensbächlein leiten.Selig, wer mit mir so spricht:Meinen Jesum lass ich nicht.

‘Ik laat je niet gaan, ten zij je mij zegent.’ Die woorden komen uit het bijbelverhaal over de omzwerving van de aartsvader Jakob (Genesis 32:27). Jaren is hij weg geweest, in ballingschap, waar hij zijn nacht beleefde. Nu is de verloren zoon bijna thuis. Bij de rivier de Jabbok, op de drempel van het thuiskomen, op de grens van nacht en dag, ondergaat hij een rite de passage. Daar heeft hij zijn laatste gevecht —met wie? Met zichzelf, met God? Het krijgt geen naam, maar in de worsteling hoort Jacob wel zijn eigen nieuwe naam: Israël. Die naam staat voor een eeuwige worsteling met God. In de bijbelse traditie is God nooit vanzelfsprekend, wat God is moet bevochten worden. Zoals wie jijzelf bent, bevochten moet worden. ‘Ik laat je niet gaan, ten zij je mij zegent,’ zegt Jakob tegen de gestalte waarmee hij in gevecht is. In de worsteling vindt Jakob zijn identiteit, hij loopt als een gezegende de nacht uit, de dag tegemoet, nu kan hij thuiskomen.

Deze cruciale grensovergang, waardoor je naar voren kunt en in dit leven je bestemming vindt, wordt in de tijd van Bach geïnterpreteerd als de doorgang van het sterven naar het leven daarna. Het beloofde land ligt niet vóór je, maar wacht ‘boven’ als een feest in het hemelse Gasthaus Krone (zo zou je het bijna lezen in aria nr. 4).

In de cantate hoor je niets van een worsteling, wel van een ‘vasthouden’, dat herhaaldelijk wordt verklankt door overgebonden noten. ‘Ik laat je niet gaan, nooit laat ik je gaan, ik wil jouw zegen.’ Degene die ik vasthoud is Jezus, hij ligt als een tedere liefste in mijn armen als ik sterf (4), als ik de grens passeer.


‘Je leeft maar één keer’,  klinkt het in onze tijd. Niet altijd roept dat besef het beste in mensen naar boven. Aartsvader Jakob leeft twee keer, hij vecht zich naar een leven toe dat belofte heeft. In de bijbelverhalen kun je opnieuw geboren worden: pas de tweede keer mag het leven een naam hebben.

In de tijd van Bach was het toevallige, voor de hand liggende leven hier en nu evenmin voldoende. Er werd veel en vroeg gestorven, eindeloze kansen bood het leven niet, uit de tekst van recitatief nr. 3 blijkt de algemene teleurstelling over het bestaan zoals het zich veelal voordeed. Graag zingen de cantates van Bach over de hemel, het echte facebookfeestje. De hemel staat voor Jezus: Jezus van wie ik het gezicht nu al stevig vasthoud (2), die nu al de vreugde is in mijn kommer en kwel, die de rust is in mijn onrust, in wie mijn angstige ik ligt ingebed (3). Ik heb hem hier vast en hij is ook daar, als ik de grens over ben. Vrolijk en zorgeloos zingt de bas over het aanstaande feest in de op bijzondere wijze vormgegeven aria nr. 4, die in de herhaling wordt afgewisseld met stukjes recitatief.

Wat een andere tijd, die eeuw van Bach. En wat gaat men luchtig op de loop met het diepzinnige aardse verhaal van Jakob. Maar zowel in het oude bijbelverhaal als in de cantate is er het besef: leven doe je pas als je weet van een grens. Hier en nu is al gauw te plat. Wat leven is, dat wacht nog, daar vecht je je naartoe. En je tegenstander in je gevecht ontpopt zich als je maatje, dat jou de beslissende grens over helpt. Huppelend ga je, zo laat Bach horen.


Henk Gols