Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 147a 'Herz und Mund und Tat und Leben'

Petruskerk,
9 december 2012

1. Koor

Herz und Mund und Tat und Leben
Muss von Christo Zeugnis geben
Ohne Furcht und Heuchelei,
Dass er Gott und Heiland sei.

2. Aria (alt) 

Schäme dich, o Seele, nicht,
Deinen Heiland zu bekennen,
Soll er seine Braut dich nennen
Vor des Vaters Angesicht!
Denn wer ihn auf dieser Erden
Zu verleugnen sich nicht scheut,
Soll von ihm verleugnet werden,
Wenn er kommt zur Herrlichkeit!

3. Aria (tenor)

Hilf, Jesu, hilf, dass ich auch dich bekenne
In Wohl und Weh! in Freud und Leid!
Dass ich dich meinen Heiland nenne
In Glauben mit Gelassenheit.
Dass stets mein Herz von deiner Liebe brenne!

4. Aria (sopraan) 

Bereite dir, jesu, noch heute die Bahn!
Beziehe die Höhle
Des Herzens, der Seele,
Und blicke mit Augen der Gnade mich an.

5. Aria (bas) 

Lass mich der Rufer Stimme hören,
Die mit Johanne treulich lehren,
Ich soll in dieser Gnadenzeit
Von Finsternis und Dunkelheit
Zum wahren Lichte mich bekehren.

7. Slotkoraal 

Wohl mir, dass ich Jesum habe,
O wie feste halt ich ihn,
Dass er mir mein Herze labe,
Wenn ich krank und traurig bin.
Jesum hab ich, der mich liebet
Und sich mir zu eigen gibet;
Ach drum lass ich Jesum nicht,
Wenn mir gleich mein Herze bricht.

De Advent is de periode van het wachten. Wachten is moeilijk, vooral in onze hedendaagse cultuur, waar alles onmiddellijk hapklaar beschikbaar lijkt te moeten zijn. Na Sint-Nicolaas is het meteen al Kerst. Zelfs in de kerk worden al vóór Kerstmis kerstfairs gehouden en kerstfeesten gevierd. Omdat we voortdurend dadelijk alles willen, blijft het genot tamelijk oppervlakkig.

In de tijd van Bach lijkt het anders te zijn geweest. De periode van de Advent was een echte voorbereiding op het feest, dat nog uitstond. In Leipzig ging het zelfs zover, dat vanaf de Tweede zondag van de Advent in de kerk geen concertante muziek werd uitgevoerd. Dus ook geen cantates. Zo werd ruimte gecreëerd om naar binnen te keren, sleur en slechte gewoontes te doorbreken en het leven in te richten naar wat komen zou. In de christelijke traditie, waarin Bach met mond en daad en leven staat, is wat komen zal het volstrekt nieuwe. Het nieuwe dat ik zelf niet bedenk, waarvan ik niet wist, maar het zoekt me, het treedt op me toe—als een liefste. Het nieuwe, dat ik niet ken, spreekt de taal van de liefde en noemt mij zijn bruid. In het slotkoraal zingt u zich de omarming binnen.

In Weimar, waar Bach eerder werkte, waren cantates in de Adventstijd wel toegestaan. Uit die periode hebben we nog de tekst van de cantate waaraan hij destijds (1716) heeft gewerkt. Tekst en muziek van die cantate heeft hij meegenomen naar Leipzig, heeft die bewerkt, veranderd, aangevuld—zo dat een nieuwe cantate ontstond, die niet in de verstilde Advent maar op een van de Mariafeesten kon worden uitgevoerd (‘Visitatie’, het feest van het Bezoek van Maria aan Elisabeth). Vandaag horen wij een poging tot reconstructie van de oorspronkelijke Adventscantate uit de Weimar-periode.

Met name in het openingskoor en het slotkoraal hoort u dat het wachten van de Advent vol vreugde is. Juist als ik niet meteen heb wat ik verlang, juist het verwachten, creëert ruimte voor de blijdschap. Het nieuwe dat komt heeft de gestalte van Christus, die ik bij voorbaat verwelkom. Zonder gêne kom ik ervoor uit dat hij het is die ik verwacht. Hij is mijn god, mijn heiland, die mij heelt ‘als ik ziek en treurig ben’. Mijn liefdesverklaring jegens hem leg ik ‘onbevreesd en zonder gehuichel’ af—bij die woorden van het openingskoor zingen de stemmen met een zuivere eenvoud, nagenoeg a capella.

Het nieuwe kijkt mij met de ogen van Christus aan: ogen vol genade. Ik zelf maak het nieuwe niet, ik weet en bid dat het zich een weg naar mij zal banen. Ik probeer mijn leven om te keren, mij te richten naar het ware licht dat in mijn duisternis verschijnt. Maar beslissender dan acties mijnerzijds is dat ik in vertrouwen wacht. In de aria van de tenor valt het woord ‘gelatenheid’. Dat woord associëren wij gemakkelijk met passiviteit. Het is evenwel een mystiek begrip dat duidt op een gespannen uitzien. Je staat op de uitkijk—maar wel zo dat je alle ruimte laat. Je staat niet met je ego in de weg, je vult niets bij voorbaat al in. Alert ben je, bereid om te ontvangen wat zich in zijn eigen vrijheid aandient. Je houdt op met zelf te programmeren. Maar je hart brandt.

Moge deze oude cantate ons, zoals wij heden ten dage zijn, binnenvoeren in de intrigerende ruimte van het wachten.


Henk Gols