Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 138 ‘Warum betrübst du dich, mein Herz'

Petruskerk,
9 september 2012

1. Koor en recitatief (alt)

Warum betrübst du dich, mein Herz?
Bekümmerst dich und trägest Schmerz
Nur um das zeitliche Gut?
Ach, ich bin arm,
Mich drücken schwere Sorgen.
Vom Abend bis zum Morgen
Währt meine liebe Not.
Dass Gott erbarm!
Wer wird mich noch erlösen
Vom Leibe dieser bösen
Und argen Welt?
Wie elend ist's um mich bestellt!
Ach! wär ich doch nur tot!
Vertrau du deinem Herren Gott,
Der alle Ding erschaffen hat.

2. Koor en recitatief

(bas)
Ich bin veracht’,
Der Herr hat mich zum Leiden
Am Tage seines Zorns gemacht;
Der Vorrat, hauszuhalten,
Ist ziemlich klein;
Man schenkt mir vor den Wein der Freuden
Den bittern Kelch der Tränen ein.
Wie kann ich nun mein Amt mit Ruh verwalten,
Wenn Seufzer meine Speise und Tränen das Getränke 

Er kann und will dich lassen nicht,
Er weiß gar wohl, was dir gebricht,
Himmel und Erd ist sein!

(sopraan)
Ach, wie?
Gott sorget freilich vor das Vieh,
Er gibt den Vögeln seine Speise,
Er sättiget die jungen Raben,
Nur ich, ich weiß nicht, auf was Weise
Ich armes Kind
Mein bisschen Brot soll haben;
Wo ist jemand, der sich zu meiner Rettung findt?

Dein Vater und dein Herre Gott,
Der dir beisteht in aller Not.

(alt)
Ich bin verlassen,
Es scheint,
Als wollte mich auch Gott bei meiner Armut hassen,
Da er's doch immer gut mit mir gemeint.
Ach Sorgen,
Werdet ihr denn alle Morgen
Und alle Tage wieder neu?
So klag ich immerfort;
Ach! Armut, hartes Wort,
Wer steht mir denn in meinem Kummer bei?

Dein Vater und dein Herre Gott,
Der steht dir bei in aller Not.

3. Recitatief (tenor)

Ach süßer Trost! Wenn Gott mich nicht verlassen
Und nicht versäumen will,
So kann ich in der Still
Und in Geduld mich fassen.
Die Welt mag immerhin mich hassen,
So werf ich meine Sorgen
Mit Freuden auf den Herrn,
Und hilft er heute nicht, so hilft er mir doch morgen.
Nun leg ich herzlich gern
Die Sorgen unters Kissen
Und mag nichts mehr als dies zu meinem Troste wissen:

4. Aria (bas)

Auf Gott steht meine Zuversicht,
Mein Glaube lässt ihn walten.
    Nun kann mich keine Sorge nagen,
    Nun kann mich auch kein Armut plagen.
    Auch mitten in dem größten Leide
    Bleibt er mein Vater, meine Freude,
    Er will mich wunderlich erhalten.

5. Recitatief (alt)

Ei nun!
So will ich auch recht sanfte ruhn.
Euch, Sorgen, sei der Scheidebrief gegeben!
Nun kann ich wie im Himmel leben.

6. Slotkoraal

Weil du mein Gott und Vater bist,
Dein Kind wirst du verlassen nicht,
Du väterliches Herz!
Ich bin ein armer Erdenkloß,
Auf Erden weiß ich keinen Trost.

In de barokmuziek wordt, bij alle uitbundigheid, gestreefd naar harmonie en symmetrie, naar een uitgebalanceerd evenwicht. Ook de cantates van Bach leveren voorbeelden van een dergelijk evenwicht; zo de koraalcantates, die meestal beginnen en eindigen met een koraalstrofe en binnen die omraming, netjes gedoseerd, recitatieven en aria’s een plek geven. Maar in de cantate ‘Warum betrübst du dich, mein Herz’ wordt het evenwicht anders dan via symmetrie bereikt. Het is meer het spannende evenwicht dat je aantreft op een moderne schildering, van Malevich of Mondriaan, of zoals op de zeefdruk van Ted Felen die sinds vrijdag in mijn woonkamer hangt: de compositie is in balans door een uitgekiende verdeling van lijnen en kleurvlakken.

Experimenteel—dat is de cantate zeker. Het lijkt erop dat Bach, voordat hij met zijn eerste cyclus koraalcantates begint, uitprobeert wat er muzikaal mogelijk is als hij voor een cantate een bestaand kerkgezang als uitgangspunt neemt.

Een groot zonnig kleurvlak binnen het geheel van de compositie vormt de de aria van de bas (4). Het is de enige aria in de cantate, maar die mag er qua lengte en emotie dan ook wezen. ‘Op God is mijn vertrouwen’, zingt de bas herhaaldelijk. ‘Ik vertrouw me eraan toe dat hij mijn leven bestuurt en mij overeind houdt.’ In de woorden ‘walten’ en ‘erhalten’ trilt hoorbaar vreugde door. Het grote kleurvlak van de aria bevindt zich in de lichte hoek van de schildering, met de blauwe kleur van de hemel en het licht van de morgen. ‘Morgen’ komt het zeker goed. En nu al leef ik in de hemel. Mijn zorgen heb ik weggegooid (‘geworpen op de Heer’—Psalm 55:23), onder mijn kussen gestopt, ik heb me van mijn zorgen laten scheiden.

De cantate eindigt ermee dat het zorgelijke leven wordt getransponeerd; ik kom los uit een dagelijks bestaan dat troosteloos is en me geen enkel perspectief bied. Prachtig licht is deze hoek van het kunstwerk (3-6).

Voorts bestaat de compositie van deze cantate uit fragmenten koraaltekst, mooie veelkleurige blokjes, op een ruwe donkere boog waar felle vragen van afspatten (1-2).


‘Waarom ben je zo verdrietig, mijn hart?’, begint de cantate (1).

De drie beginregels van het kerkgezang klinken. Elke regel afzonderlijk wordt ingeleid door de strijkers; daarna laat de eerste hobo de dragende, troostende melodie van de koraalregel horen; de tenor zingt vervolgens de tekst van de koraalregel op de melodie waarmee de violen begonnen; tenslotte zingt het koor de regel op de eigenlijke koraalmelodie, die eerder door de eerste hobo was ingezet. Viool, hobo, tenor, koor—drie regels telkens volgens hetzelfde procédé.

‘Waarom zo verdrietig?’

Ogenblikkelijk reageert de alt. De alt is in grote zorg, ‘van de avond tot de morgen’, is er ellendig aan toe en wil dood.

Het koor antwoordt veelstemmig met een fragment koraaltekst: een oproep tot vertrouwen.

Nu klinkt de solo van de bas (2), die de stem wordt van wie de etensvoorraden in de kast zien slinken: ‘niet meer wordt de wijn van de vreugde geschonken, het is de bittere kelk van de tranen die ik drinken moet. Ik heb de rust niet om mijn werk te doen!’

Het koor reageert opnieuw met een koraalfragment: ‘God laat je niet in de steek!’

Schrijnend is de reactie van de sopraan: ‘“God zorgt voor het vee, geeft aan de vogels hun voedsel, hij verzadigt de jonge raven” (Psalm 147:9; Matteüs 6:26), maar ik weet niet hoe ik aan brood kan komen!’

Het koor antwoordt met een volgend koraalfragment: ‘Jouw Vader staat je bij in al je nood’. Het wordt gezongen op de manier van een motet, archaïsch, gedragen, verheven. Het wordt herhaald nadat de alt nogmaals zijn/haar eenzame armoe heeft uitgezongen. ‘“Gods barmhartigheden zijn elke morgen nieuw”, heet het in de Bijbel (Klaagliederen 3:23), maar in mijn geval zijn het de zorgen die elke morgen nieuw zijn.’


Armoe, geen brood op de plank en nachten wakker liggen vanwege zorgen om het dagelijkse bestaan: vlak voor de verkiezingen (op 12 september) wordt de armoede van individuele mensen ons via Bach onder de aandacht gebracht. Mogelijk bent u geneigd om de troostende teksten die door het koor gezongen worden af te doen als vrijblijvend en niet ter zake. Wat het koor zingt lijkt geen reëel antwoord op de klachten van individuele mensen in hun maatschappelijke nood. Wij leven in een andere tijd en zouden ongetwijfeld andere woorden gebruiken, waarin adequate oplossingen doorklinken. Toch wijs ik u er op dat in de cantate mensen in hun sociale nood niet naar de rand worden verwezen; ze worden niet gezien als ongelukkige rafels van de samenleving, ze worden niet buitengesloten en aan hun lot overgelaten. Integendeel, hun vragen liggen ingebed in in meeleven en begrip. Ze horen erbij, ze worden omarmd. Het koor met de flarden koraaltekst representeert een gemeenschap die de vragen van mensen die economisch gezien minder geluk hebben serieus neemt. Hun stemmen worden nota bene gelinkt met de geloofstraditie. Wie niet meekomen vallen niet buiten de compositie. Integendeel, ze zijn medebepalend voor de structuur van het Gesamtkunstwerk.

En alleen maar zo, omdat die gemeenschap er is, warm, betrokken, troostend, breekt in het experimentele kunstwerk van deze cantate het licht door. Er ontstaat perspectief. Dankzij het stemmen van de gemeenschap, het instemmen, het stem geven.


Henk Gols