Website Henk Gols

Cantate 125 'Mit Fried und Freud ich fahr dahin'

Petruskerk, 10 februari 2013

1. Openingskoor 

Mit Fried und Freud ich fahr dahin
In Gottes Willen;
Getrost ist mir mein Herz und Sinn,
Sanft und stille;
Wie Gott mir verheißen hat,
Der Tod ist mein Schlaf geworden.

 2. Aria (alt) 

Ich will auch mit gebrochnen Augen
Nach dir, mein treuer Heiland, sehn.
  Wenngleich des Leibes Bau zerbricht,
  Doch fällt mein Herz und Hoffen nicht.
  Mein Jesus sieht auf mich im Sterben
  Und lässet mir kein Leid geschehn.

3. Recitatief en koraal (bas) 

O Wunder, dass ein Herz
Vor der dem Fleisch verhassten Gruft und gar des Todes Schmerz
Sich nicht entsetzet!
Das macht Christus, wahr' Gottes Sohn,
Der treue Heiland,
Der auf dem Sterbebette schon
Mit Himmelssüßigkeit den Geist ergötzet,
Den du mich, Herr, hast sehen lahn,
Da in erfüllter Zeit ein Glaubensarm das Heil des Herrn umfinge;
Und machst bekannt
Von dem erhabnen Gott, dem Schöpfer aller Dinge
Dass er sei das Leben und Heil,
Der Menschen Trost und Teil,
Ihr Retter vom Verderben
Im Tod und auch im Sterben.

4. Aria (duet tenor en bas) 

Ein unbegreiflich Licht erfüllt den ganzen Kreis der Erden.
  Es schallet kräftig fort und fort
  Ein höchst erwünscht Verheißungswort:
  Wer glaubt, soll selig werden.

5. Recitatief (alt) 

O unerschöpfter Schatz der Güte,
So sich uns Menschen aufgetan: es wird der Welt,
So Zorn und Fluch auf sich geladen,
Ein Stuhl der Gnaden
Und Siegeszeichen aufgestellt,
Und jedes gläubige Gemüte
Wird in sein Gnadenreich geladen.

6. Slotkoraal 

Er ist das Heil und selig Licht
Für die Heiden,
Zu erleuchten, die dich kennen nicht,
Und zu weiden.
Er ist deins Volks Israel
Der Preis, Ehr, Freud und Wonne.

Het sterven is een terugkerend thema in de cantates van Bach. De dood was destijds dichterbij, hield huis in de gezinnen, trok zijn diepe sporen in het leven van Bach zelf.

XB2 1.2 Opdracht01

Hoe verhoud je je tot de dood? ben je alleen maar bang? durf je daarom niet te leven?

In de cantate van vanavond gebeurt iets adembenemends. Tegenover de dood wordt niet stoer gedaan, angst wordt niet overschreeuwd, de dood wordt niet gebagatelliseerd, maar schoonheid wordt ingebracht: weemoedige, breekbare schoonheid, de schoonheid van menselijk verdriet en verlangen en hoop. Bach stelt tegenover de overmachtige dood het pijnlijkste en mooiste dat er is: de menselijke broosheid en vergankelijkheid, de prachtige kwetsbaarheid van de hoop.

Weemoedige schoonheid laat zich om te beginnen horen in het schitterende openingskoor en vervolgens in de ‘verbijsterend aangrijpende aria’ (Maarten ’t Hart): een soort verdriet dat hoort bij het verlangen. De ogen breken maar blijven toch ook alsmaar kijken, ze blijven zoeken. Ze zoeken de ogen van een ander die mij ziet nu mijn lijf het aan het begeven is. Mijn ogen zoeken de ogen van hem die mij aanziet, juist op dit moment. Wie mij ziet is niet de dood maar hij die het leven is. De dood kan niet verhinderen dat het laatste niet is: de angst om te sterven, maar het hoopvolle kijken van de ogen.

In het duet van tenor en bas en in het recitatief van de alt dat erop volgt, zingt feestelijk de vreugde. Duidelijk laat zich in duet en recitatief horen wat de protestantse Reformatie opnieuw ontdekte: dat de sleutel om door te breken naar het leven het geloof is. Dat alles wat nodig is zit in het vertrouwen. Dat er niets te verdienen valt, dat het leven niet iets is dat je zelf zou moeten maken. Of er werkelijk geleefd wordt is niet afhankelijk is van onze prestaties, van scores en punten: het leven wordt gegeven. ‘Genade’ heet dat. In onze wereld is die genade als een stoel neergezet, als een zegeteken opgesteld, zingt de alt. Ze is vrijelijk beschikbaar voor iedereen, voor de ‘heidenen’, zingt het slotkoraal.

Licht stroomt door dat slotkoraal, maar bij al het feestelijke blijft iets van het verdriet te moeten sterven, de weemoed vanwege de menselijke kwetsbaarheid. Maar de dood heeft niet meer het angstige laatste woord. De muziek van Bach’s cantate zingt gaten in de angst. De dood kan tegen deze fragiele schoonheid niet op.


De cantate is gemaakt op een lied dat Maarten Luther in 1524 maakte: een bewerking van de lofzang van Simeon. In het evangelie van Lucas neemt Simeon het kind Jezus, veertig dagen oud, in zijn armen en zegt:


Nu laat gij, Heer, uw dienstknecht gaan
in vrede, naar uw woord,
want mijn ogen hebben uw heil gezien,
licht om de volken te ontsluieren
en dat tot eer strekt van uw volk Israël.


Nergens staat in het evangelie dat Simeon een oude man is en dat hij nu gaat sterven. Wat er wel staat is dat hij vrijuit gaat, zijn wacht zit erop nu hij de messias heeft vastgehouden met de armen van het geloof.

Maar in de na-bijbelse traditie wordt Simeon voorgesteld als oude man; zo zien ook Luther en Bach hem. Het lied van Simeon wordt een lied voor het sterven. In de liturgie van de kerk wordt het lied gezongen bij het vallen van de nacht, als je gaat slapen.

In de cantate is het laatste voordat je de nacht ingaat zo prachtig, zo weemoedig mooi. Je bent niet meer bang, je zingt je door het verdriet heen, het verdriet om alles wat voorbijgaat. In vertrouwen zing je. Op muziek die je niet zelf hebt gemaakt; ze is gegeven — door Bach. Het licht in zijn muziek komt van het lied van Simeon. Het is de eeuwen doorgegeven en telkens opnieuw muzikaal omarmd — dat maakt geen dood meer ongedaan.


Henk Gols