Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 124 ‘Meinen Jesum laß ich nicht’

‘Ik zocht hem overal
maar vond hem nergens meer
ik riep de hele tijd
maar kreeg geen antwoord meer.’

Zo klinkt een fragment uit de bundel ’27 liefdesliedjes’ (1971) van Judith Herzberg. Die liefdesliedjes zijn haar eigen bewerking van de bundel in de Bijbel vol liefdespoëzie, het Hooglied.

Zoeken en vinden, omarmen en missen horen bij het leven, horen bij de liefde, horen bij het religieuze geloven. Wat je hebt ontvangen, ben je zomaar kwijt. Maar geloven betekent een wonderlijk vertrouwen dat jij in je gemis gevonden wordt, dat de leegte de ruimte is waar je opnieuw ontvangt.

‘(…)
toen zag ik hem van wie
ik hou—omhelsde hem
en liet hem niet meer los’

dicht Judit Herzberg.

Het thema van missen en het niet meer loslaten klinkt ook in de cantate van vanavond. De cantate is geschreven voor de zondag waarop in de lutherse traditie het evangelie wordt gelezen van de pelgrimage naar Jeruzalem van Jozef en Maria met de twaalfjarige Jezus. Op de terugweg naar huis, na één dagreis, blijkt Jezus niet meegekomen. Ze keren naar Jeruzalem terug en zoeken hem daar drie dagen lang. Drie dagen van gemis. Tenslotte vinden zij Jezus in de tempel, waar hij met de schriftgeleerden in gesprek is over de Tora, de joodse Wet.

Bij deze zondag hoorde in de lutherse kerk een lied, het 17e-eeuwse koraal waarvan wij in de cantate de eerste en de laatste strofe horen. De tekst van het koraal is van Christian Keyman, de melodie van Andreas Hammerschmidt. Niet op de evangelietekst maar op dit lied  heeft Bach zijn cantate gemaakt. De verbinding tussen het evangelie en het lied is precies de thematiek van het kwijt zijn en het vinden.

Zowel bij kerkvaders in de eerste eeuwen van het christendom als in de middeleeuwse mystiek en vervolgens in het lutherse piëtisme, is Jezus de geliefde. De geliefde die ik mis, maar die ik vind als alles lijkt op te houden, ‘na drie dagen’.

In de cantate wordt de grens van de dood overschreden om hem te vinden. Dáár is de hemel waar ik mijn liefste kan omarmen.

Is die hemel ver? Moet ik wachten tot ik doodga? Is leven hier en nu alleen maar wachten en missen?

Welnee, je moet gewoon met Bach meezingen en dan presenteert zich de hemel al! Dat is het mooie van de hemel: moeiteloos daalt hij af in Bach’s muziek. In het duet van sopraan en alt hoor je dat de hemel geen goedkope troost is, die hier en nu het gemis in stand houd. De hemel is geen abstract hiernamaals. Nee, de hemel is als een open venster, waardoor licht valt in de kamers van mijn leven. De atmosfeer verfrist. Door het slotkoor sprankelt levend water. De geliefde die ik miste, blijkt mijn reisgenoot.

Ja, de hemel is wat je zomaar vindt. Wat je, als je alles kwijt bent, toch weer vindt. De cantate is vol gemis. Vol dood en woestijn. En toch schittert ze van geloof en hoop.

‘(…)
toen zag ik hem van wie
ik hou—omhelsde hem
en liet hem niet meer los’

Meinen Jesum lass’ ich nicht!


Henk Gols


*  *  *


Naar aanleiding van deze cantate heeft de Nijmeegse stadsdichter, Marijke Hanegraaf, het volgende gedicht geschreven:


Cantate in de Petruskerk
BWV 124 Meinen Jesum lass ich nicht (zondag 13 januari 2013)


Onder de kale takken van twee platanen

schimmen auto's op het grind;
het vertrouwde overwintert. Crisis

 met warme voeten. Binnen een menigte
aan oude teksten ligt het verhaal klaar
van het kind van twaalf, voorbij het brave.

 Zijn ouders zijn hem kwijt
maar jij laat hem in het koraal niet los.
Je vouwt je stem, mag het geloven. 

 Het koor legt er een bodem onder;
muziek het huis. Je kunt je hoogte kiezen
en meezingen op sterke maten.

De tonen staan te popelen in de banken.
Boven de winterjassen stijgt het proberen op.
Zo veegt Bach langs je ogen.


januari 2013