Website Henk Gols

Bij het eerste lustrum

Bij de uitvoering van de 50e cantate in de Petruskerk (BWV 96), 11 november 2012

‘Herr Christ, der ein’ge Gottessohn’: de cantate waarmee we oktober 2007 begonnen en die we in oktober 2009 hebben herhaald. Nu voor de derde keer. De cantate lijkt een beeldmerk, een icoon geworden.

Ik houd van iconen—u weet waarschijnlijk wel: die religieuze schilderingen volgens een oeroud procédé, afbeeldingen van de goddelijke Drieëenheid, van Christus, van Maria en andere heiligen. Niet zomaar afbeeldingen, maar vensters die een inkijkje geven in een diepere werkelijkheid. Schilderingen die toegang geven tot het geheim waar wij niet zomaar bij kunnen, dat desalniettemin ons leven en onze wereld draagt.

Zo’n icoon is voor mij ook de cantate van vanavond. Luister maar naar de muzikale taal van het openingskoor. Daarin wordt Christus bezongen: hij verschijnt er stralend. Ragfijn weeft de kleine fluit, de piccolo, randen van licht om hem heen. Als het koor zingt: ‘Hij is de morgenster!’, gebeurt er in de muziek iets bijzonders, er verschuift iets. Sterk, krachtig, schitterend vertoont zich die gestalte die wij zelf niet zijn, die ons echter zoekt en zegent. Een mystiek moment.

Ook het slotkoraal laat zo’n verschuiving horen. Nu gaat het om onszelf: het kantelt van dood naar leven, van oude naar nieuwe mens. In de cantate worden wij neergezet als mensen die de richting kwijt zijn. Ons gestumper is hoorbaar, het heen en weer van rechts naar links, het dolen (aria van de bas!). Maar de laatste woorden van de cantate zijn: ‘zu dir’, ‘naar jou’. Het leven, de zinnen en het verlangen, het denken krijgen een richting, een oriëntatie, gevormd door die Christusicoon, die adembenemende gestalte vol licht.

Wij komen hier vooral voor de mooie muziek. Ik probeer telkens duidelijk te maken hoezeer muziek en tekst met elkaar samenhangen. Bach heeft zijn muziek op de tekst gecomponeerd. De woorden waren voor hem belangrijk. De tekst wordt gevormd door citaten uit de Bijbel en lutherse gezangen; en poëtische teksten die daar omheen geweven worden. De teksten lijken ver bij ons vandaan. Bij oppervlakkige beschouwing behoren ze bij een verleden dat voor ons geen actuele betekenis meer heeft. Luister je beter, dan ontdek je dat de meeste teksten toegang geven tot een dieptelaag die van alle tijden is. Altijd weer gaat het over de grandeur en de misère van het menselijk bestaan, over ons tekort en het lot dat ons treft. De menselijke broosheid vindt in de cantates een veilige bedding. Alles mag er zijn en wordt door de muziek gedragen en opgetild—ja uiteindelijk naar die Christusfiguur.

Wij zijn niet allemaal gelovigen; waarschijnlijk heeft slechts een minderheid van ons iets met de kerk. Toch krijgen we via de cantates de Christusfiguur weer terug. Zonder zijn icoon is onze cultuur nu eenmaal niet denkbaar. Of je nu mooie Romaanse kerkjes in Bourgondië binnengaat of door musea dwaalt, of je nu de mozaïeken in Ravenna bekijkt of luistert naar de Matthäus-Passion, steeds weer kom je hem tegen, met zijn ogen die jou zoeken. De Christusfiguur is de meest smartelijke en hoopvolle gestalte die de christelijke traditie en dus onze cultuur hebben opgeleverd. Binnen of buiten de kerk hebben we ons ermee te verhouden. De Bachcantates helpen ons om hem niet uit onze tijd weg te gummen maar een respectvolle plek te geven.

In mijn tekst en uitleg wijs ik dus graag op de verbinding van muziek en tekst en probeer ik iets van de dieptedimensie die van alle tijden is, bloot te leggen. De woorden en de muziek zijn van ons allemaal: het is Europese cultuur van groot formaat, levend gehouden door dirigent, musici en zangers en ook door u en mij. En dat houden we zo.


Henk Gols


Klik hier  voor een uitvoeriger bespreking van de cantate