Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 83 ‘Erfreute Zeit im neuen Bunde’

Petruskerk, 12 februari 2012

1. Aria (alt)

Erfreute Zeit im neuen Bunde,
Da unser Glaube Jesum hält.
Wie freudig wird zur letzten Stunde
Die Ruhestatt, das Grab bestellt!

2. Aria en recitatief (bas)

Herr, nun lässest du deinen Diener in Friede fahren, wie du gesaget hast.
Was uns als Menschen schrecklich scheint,
Ist uns ein Eingang zu dem Leben.
Es ist der Tod
Ein Ende dieser Zeit und Not,
Ein Pfand, so uns der Herr gegeben
Zum Zeichen, dass er's herzlich meint
Und uns will nach vollbrachtem Ringen
Zum Frieden bringen.
Und weil der Heiland nun
Der Augen Trost, des Herzens Labsal ist,
Was Wunder, dass ein Herz des Todes Furcht vergisst!
Es kann den erfreuten Ausspruch tun:
Denn meine Augen haben deinen Heiland gesehen, welchen du bereitet hast für allen Völkern.

3. Aria (tenor)

Eile, Herz, voll Freudigkeit
Vor den Gnadenstuhl zu treten
Du sollst deinen Trost empfangen
Und Barmherzigkeit erlangen,
Ja, bei kummervoller Zeit,
Stark am Geiste, kräftig beten.

4. Recitatief (alt)

Ja, merkt dein Glaube noch viel Finsternis,
Dein Heiland kann der Zweifel Schatten trennen;
Ja, wenn des Grabes Nacht
Die letzte Stunde schrecklich macht,
So wirst du doch gewiss
Sein helles Licht im Tode selbst erkennen.

5. Slotkoraal

Es ist das Heil und selig Licht
Für die Heiden,
Zu erleuchten, die dich kennen nicht,
Und zu weiden.
Er ist deins Volks Israel
Der Preis, Ehre, Freud und Wonne.

‘De hel wacht iedereen. Hij weet nog heel precies hoe het werd gezegd toen hij als kleine jongen in de kerk zat. “De preken gingen er altijd over dat we allemaal op weg naar de verdoemenis waren en dat bekering het enige nodige was.” Duizenden keren hoorde Gerard Koolschijn (66) het als kind: het gros van de mensheid gaat naar de hel, slechts een enkeling bereikt de hemel.’ Aldus de openingszinnen van een artikel van Gerrit-Jan KleinJan in het dagblad Trouw van zaterdag 11 februari, over de debuutroman van Gerard Koolschijn, Geen sterveling weet. Na Jan Siebelink weer een auteur die een uiterst deprimerende onderstroom van de calvinistische traditie van zich afschrijft.

Hoe totaal anders de lutherse traditie, waarin Bach staat! In de cantate van vanavond staan we oog in oog met de dood: een verschrikkelijk, donker thema — dat wordt in de cantate niet weggepoetst. Maar hoor hoe vanaf het begin de vreugde zich sterk positioneert en hoe een sfeer van vertrouwen, geloof, wordt opgeroepen.

Goed, de tekst is gedateerd. Mensen stonden destijds dichter bij de dood, de dood hield voortijdig huis in elk gezin, mensen sleten en braken eerder dan wij. Je had je met de dood te verhouden. De dood hoorde vanzelfsprekend bij het leven. Maar waar het calvinisme de neiging had onze houding te krommen, daar komen we in het lutheranisme fier overeind.

De openingsaria (1) creëert vanaf de eerste tonen een ruimte van vreugde. Wij weten dat Bach zorgvuldig zijn teksten koos. Hij staat achter de woorden en geeft ze vervolgens vleugels. Bach, die zelf vrouw en meerdere kinderen aan de dood verloor, maakt zich sterk tegenover de dood. Hij laat zich de vreugde niet ontnemen. Als je verkeerd leest, lijkt het een cantate vol doodsverlangen. Alsof het licht pas schijnt als je bent dood gegaan. Maar in de muziek hoor je het léven, uiterst krachtig en virtuoos, vooral in de openingsaria van de alt en in de aria van de tenor (3) (let op de vioolsolo’s!). Het licht dat in het sombere donker van de dood wordt neergezet, straalt over het leven dat nù geleefd wordt. Dat leven vult zich niet met depressiviteit maar met vitale vreugde. Het gaat niet bevend een verschrikkelijk oordeel tegemoet, het haast zich opgetogen naar een ‘stoel van genade’ (3).


De cantate is gemaakt voor wat wel ‘Maria Lichtmis’ is gaan heten: 2 februari, de veertigste dag na Kerstmis, het feest van de opdracht van Jezus in de tempel. Volgens de joodse traditie ondergaat een moeder veertig dagen na de bevalling een ritueel waardoor ze weer ‘rein’ wordt. Onrein klinkt bij ons negatief. Positief betekent het dat je even niet hoeft, een zwangerschapsverlof dat je ontslaat van verdere liturgische verplichtingen. Na veertig dagen ben je binnen je religieuze traditie weer inzetbaar. Op die veertigste dag wordt bovendien Jezus in de tempel als eerstgeborene aan God opgedragen. In de tempel voegt zich ene Simeon bij het kind en zijn ouders. Van Simeon wordt gezegd dat hij heeft gewacht — in zijn tijd heeft hij gewacht op iets dat zijn wereld zou openbreken naar iets nieuws dat vol troost was. In het kind ziet hij dat nieuwe. Hij zingt dan zijn lied (lofzang van Simeon, Nunc dimittis), dat in de christelijke liturgie een dagelijkse plek heeft gekregen in het getijdengebed voor het slapengaan (de completen):


Nu laat Gij, Heer, uw dienaar gaan
in vrede, naar uw woord.
Want mijn ogen hebben uw bevrijding gezien,
die Ge hebt toebereid voor het oog van alle volken:
licht tot ontsluiering van de volken
en heerlijkheid voor uw volk Israël.


Met andere woorden: Je dienst zit erop, je kunt nu gaan, in vrede. Ware vrijheid heb je aanschouwd, je ziet nu helder, sluiers zijn van je afgevallen, niks depressiviteit, maar ‘heerlijkheid’.

In het lutheranisme is dat lied van Simeon ingezet tegen de verschrikking van de dood. Helder schijnt het licht in wat zo verschrikkelijk donker leek. Voor wie schijnt het licht? Alleen voor een enkeling die zich bekeert? En de rest gaat naar de verdoemenis? — Het slotkoor is het laatste stuk van Luthers bewerking van de lofzang van Simeon (‘Mit Fried und Freud fahr ich dahin’). Kijk dat klare licht eens schijnen ‘voor alle heidenen’. Dat gaat over ons zoals we hier zitten. Tot onze schrik en vreugde zijn we zomaar inbegrepen! Het laatste woord van de cantate is ‘geluk’, in feestelijk majeur.


Henk Gols