Website Henk Gols

Cantate 8 ‘Liebster Gott, wenn werd ich sterben?’

Petruskerk, 9 oktober 2011

1. Openingskoor

Liebster Gott, wenn werd ich sterben?

Meine Zeit läuft immer hin,

Und des alten Adams Erben,

Unter denen ich auch bin,

Haben dies zum Vaterteil,

Dass sie eine kleine Weil

Arm und elend sein auf Erden

Und denn selber Erde werden.


2. Aria (tenor)

Was willst du dich, mein Geist, entsetzen,

Wenn meine letzte Stunde schlägt?

Mein Leib neigt täglich sich zur Erden,

Und da muss seine Ruhstatt werden,

Wohin man so viel tausend trägt.


3. Recitatief (alt)

Zwar fühlt mein schwaches Herz

Furcht, Sorge, Schmerz:

Wo wird mein Leib die Ruhe finden?

Wer wird die Seele doch

Vom aufgelegten Sündenjoch

Befreien und entbinden?

Das Meine wird zerstreut,

Und wohin werden meine Lieben

In ihrer Traurigkeit

Zertrennt, vertrieben?


4. Aria (bas)

Doch weichet, ihr tollen, vergeblichen Sorgen!

Mich rufet mein Jesus, wer sollte nicht gehn?

    Nichts, was mir gefällt,

    Besitzet die Welt.

    Erscheine mir, seliger, fröhlicher Morgen,

    Verkläret und herrlich vor Jesu zu stehn.


5. Recitatief (sopraan)

Behalte nur, o Welt, das Meine!

Du nimmst ja selbst mein Fleisch und mein Gebeine,

So nimm auch meine Armut hin;

Genug, dass mir aus Gottes Überfluss

Das höchste Gut noch werden muss,

Genug, dass ich dort reich und selig bin.

Was aber ist von mir zu erben,

Als meines Gottes Vatertreu?

Die wird ja alle Morgen neu

Und kann nicht sterben.


6. Slotkoraal

Herrscher über Tod und Leben,

Mach einmal mein Ende gut,

Lehre mich den Geist aufgeben

Mit recht wohlgefasstem Mut.

Hilf, dass ich ein ehrlich Grab

Neben frommen Christen hab

Und auch endlich in der Erde

Nimmermehr zuschanden werde!

Het is volop herfst, bladeren kleuren en vallen, wat groeide en bloeide en nu nog vruchten draagt loopt ten einde, weemoed om wat voorbijgaat weeft zich door de dagen en sommigen van ons beginnen gebukt te gaan onder gedachten die zwaar zijn van somberheid. Gedachten over de dood horen bij dit jaargetij. Wie die gedachten van zich af wil zetten, wie aan eigen sterfelijkheid liever niet herinnerd wenst te worden, zit hier vanavond verkeerd. Want onze dood is in deze cantate volop in beeld.

De tijd tikt weg — dat gaat u in het openingskoor horen: telkens vierentwintig felle zelfde nootjes op de fluit, de vlugge uren van het etmaal; en daaronder een langzame maar zekere cadans, als de slinger van een klok, grote stappen die onverbiddelijk worden gezet. Het is de voortgang van de tijd, die onze armzalige afgang betekent. Daar gaan we, kinderen van Adam, gebukt onder een last die van de ene op de andere generatie wordt doorgegeven. Daar gaan we, terug naar de aarde waaruit we genomen zijn. Ooit slaat ons laatste uur, maar dagelijks sterven we al een beetje: ‘mein Leib neigt täglich sich zur Erden’, zingt de tenor in zijn bange, zoekende, schrijnende aria (2). En masse gaan we de weg van de duizenden. In het recitatief van de alt (3) klinkt vraag na vraag, vergezeld van wrange harmonieën. Waar blijf ik? En waar blijven mijn gelieven? We blijven nergens, we worden ‘verstrooid, gescheiden, wég gedreven’.

Zo, dat is eruit. De muziek van het openingskoor was uitnodigend om onder woorden te brengen wat we stiekem naargeestig denken: de twee hobo’s (obei d’amore) weven daar in het eerste deel troostende melodieën. Alsof je in een veilige setting bij de therapeut, de psycholoog of pastor zit en je angst ongeremd op tafel kunt leggen. Vertel maar op, we gaan tot de bodem. Tot het dieptepunt van ontbinding, van totale desintegratie.

Juist zo komt er ruimte voor de omslag! In de aria van de bas (4) kantelt het deprimerende. Voordat de bas gaat zingen, kantelt het al in de muziek. Zomaar danst de muziek! En kijk, daar stá ik, verkläret und herrlich! Er heeft een transformatie plaats: ik somber niet langer de diepte in, prachtig sta ik overeind. Want ik word bereikt door een roepen. Daarmee klinkt opeens een bijbels hoofdthema: getroost word ik niet door gefantaseerde droombeelden over een hemel, door wensbeelden die ik goedkoop ins Blaue hinein projecteer, nee ik kom overeind omdat een stem mij bereikt. Ik word geroepen en nu kom ik. Jezus is het die roept. Hij roept in het evangelie dat juist op deze zondag (de 16e na Trinitatis) gelezen wordt (Lucas 7:11-17): hij roept daar tot de dode zoon van een hopeloos verdrietige weduwe. Hij roept mij weg uit een context van verslagenheid. Hij laat mij opstaan. Ik hoor dat ik geroepen word — ja ‘wie zou dan niet gaan?’ Niet allerlei voorstellingen of theorieën maken dat ik overeind kom, maar alleen die stem die mij uitnodigt… tot de dans. In de muziek klinkt het vrolijke ritme van de gigue.

In het daaropvolgende recitatief van de sopraan (5) klinkt een fragment uit de bijbelse poëziebundel Klaagliederen (3:23), een collectie gedichten naar aanleiding van de val, ooit, van Jeruzalem. Liederen vanuit de puinhopen. Te midden van de klachten klinkt opeens een vreemd vertrouwen. In de verbijstering presenteert zich opeens iets onverwoestbaars en dat heet daar Gods trouw. Na elke nacht volgt een morgen en elke morgen geeft blijkt van iets dat bij alle afgang en afbraak dóórgaat. Bij alles wat voorbijgaat is elke nieuwe morgen vervuld van een goedheid waarin ik mij mag toevertrouwen. Wij zijn kinderen van Adam, wij gaan gebukt onder de last van een lang verleden (1, 3), maar méér nog zijn wij kinderen van wat zich elke morgen nieuw presenteert als mogelijkheid, als geweldige kans. En dat steeds weer nieuwe ‘kann nicht sterben’ (5).

Nee, de oplossing voor onze somberheid is niet gelegen in zomaar wat troost dat dat het wel goed komt. Dat het goed komt valt helaas niet te bewijzen. Het enige dat ons op onze benen zet is de intrigerende, vitale taal van poëzie en muziek en verhalen die we elkaar vertellen. Het is de taal die te horen is overal waar mensen elkaar roepen. Zoals Bach ons in zijn cantate geroepen laat worden… tot de dans.

Bach doet dat gebruik makend van een gezang van Caspar Neumann, op een melodie van de in 1721 overleden Daniel Vetter, organist van de Nicolaikerk van Leipzig. In dezelfde Nicolaikerk werd deze cantate voor het eerst uitgevoerd op 24 september 1724. De cantate lijkt een eerbetoon aan Daniel Vetter: Bach handhaaft in openings- en slotkoor grotendeels de harmonisaties die Vetter zelf bij dit gezang componeerde.


Henk Gols