Website Henk Gols

Cantate 70a 'Wachet! Betet! Seid bereit!’

Petruskerk,
11 december 2011

1. Openingskoor

Wachet! betet! betet! wachet!
    Seid bereit
    Allezeit,
    Bis der Herr der Herrlichkeit
    Dieser Welt ein Ende machet.

2. Aria (alt)

Wenn kömmt der Tag, an dem wir ziehen
Aus dem Ägypten dieser Welt?
Ach! lasst uns bald aus Sodom fliehen,
Eh uns das Feuer überfällt!
Wacht, Seelen, auf von Sicherheit
Und glaubt, es ist die letzte Zeit!

3. Aria (sopraan)

Lasst der Spötter Zungen schmähen,
Es wird doch und muss geschehen,
Dass wir Jesum werden sehen
Auf den Wolken, in den Höhen.
Welt und Himmel mag vergehen,
Christi Wort muss fest bestehen.
Lasst der Spötter Zungen schmähen;
Es wird doch und muss geschehen!

4. Aria (tenor)

Hebt euer Haupt empor
Und seid getrost, ihr Frommen,
Zu eurer Seelen Flor!
    Ihr sollt in Eden grünen,
    Gott ewiglich zu dienen.

5. Aria (bas)

Seligster Erquickungstag,
Führe mich zu deinen Zimmern!
Schalle, knalle, letzter Schlag,
Welt und Himmel, geht zu Trümmern!
Jesus führet mich zur Stille,
An den Ort, da Lust die Fülle.

6. Slotkoraal

Nicht nach Welt, nach Himmel nicht
Meine Seele wünscht und sehnet,
Jesum wünsch ich und sein Licht,
Der mich hat mit Gott versöhnet,
Der mich freiet vom Gericht,
Meinen Jesum lass ich nicht.

‘Waakt! Bidt!’ Niet per se in deze volgorde, niet eerst het een, dan het ander. Het is gelijktijdig dat je waakt en bidt. Eén en dezelfde houding is het.

Waakt! Bidt! — zo roept de cantate met een trompet als wekkerfunctie. Tegenover alle dagen hetzelfde, in tegenstelling tot de eeuwige herhaling, de tredmolen, de vicieuze cirkel; tegen het platte, oppervlakkige, tegen cynisme en decadentie in: waakt en bidt! bidt en waakt!

Waken: de alerte houding. Je heft je hoofd op (aria van de tenor, 4). Bidden: het heeft te maken met een permanent openstaan voor hoogte en diepte, het is het aftasten van nieuwe betekenis die zich wil ontvouwen, het staat voor een diepe verbondenheid als alom verbindingen wegvallen. In het openingskoor van de cantate wordt in de muziek hoorbaar gemaakt wat waken en bidden is. Waken wordt uiterst bewegelijk, ja nerveus uitgedrukt. Bidden daarentegen krijgt lange rustende noten. Het waken kijkt alle kanten op, speurt voortdurend om zich heen — want er staat iets dramatisch te gebeuren. Maar ik word niet angstig, laat me niet van de wijs brengen, hoog en diep ben ik verbonden met wat blijft (namelijk met het crisis-bestendige, duurzame woord van Christus — aria van de sopraan, 3). Bidden staat voor een sterke spirituele attitude.

Opeens gaat het voorbij: deze wereld, zoals het altijd ging. Daar kunnen we ons iets bij voorstellen, nu Europa opeens niet meer zo stevig is en we van de hoogte van onze pensioenen niet meer zeker zijn. Het einde van de wereld — waarschijnlijk heeft het voor elke generatie op enig moment dichtbij gevoeld. Bach en zijn tijdgenoten hebben het crashen van de dingen met de woorden van hun tijd uitgedrukt. Eerder dan muziek lijken woorden aan slijtage onderhevig: gedateerd en cultuurgebonden klinken ze latere generaties al gauw vreemd in de oren. Muziek is en blijft toegankelijker. In Bach’s muziek herkennen we dat de woorden van vroeger doelen op iets wat van alle tijden is: de angst dat mijn wereld instort, dat een gewone stand van zaken plotseling onherroepelijk tot het verleden behoort.

De kerkelijke Advent is een periode waarin ons wordt voorgehouden dat het einde een nieuw begin kan zijn, dat crisis een nieuwe mogelijkheid kan bieden. Deze wereld heet een oude wereld, waarin je niet moet willen blijven hangen. In de aria van de alt (2) heet ze Egypte en Sodom: Egypte (Exodus 1-15) en Sodom (Genesis 19) staan in de Bijbel voor plekken waar mensen in hun grootste kwetsbaarheid, hun anders-zijn, bedreigd worden. Waar humaniteit verdampt, is geen toekomst meer. In de aria worden dan ook de koffers al gepakt: tijd om te vluchten.

In de aria van de sopraan (3), binnen de context van het vergaan van hemel en aarde, zien we Jezus verschijnen op de wolken. Hij verschijnt als een gewaagde projectie op het doek van de hemel. Als alles in elkaar stort, verschijnt hij als een prachtige menselijke gestalte, een beeld van voltooiing, dat de belofte inhoudt dat we door de crisis heen méér mens zullen zijn. De hoop daarop lijkt zeker van haar zaak, ze zingt in tegen cynisch gespot alom.

Ja, zingt de tenor in zijn aria (4): Eden, een groene bloeiende hof, is onze bestemming. Het is de bedoeling dat mensen zullen gedijen! Waken en bidden helpen ons blijkbaar op weg naar het uiteindelijke bloeien.

In de aria van de bas (5) schalt en knalt het in het middendeel nog even heftig. Maar de puinhopen die muzikaal overtuigend worden opgeroepen, worden omlijst door geluk en stilte en een volledig genieten (het lijkt wel psalm 23).

Advent in het algemeen en deze cantate in het bijzonder vormen een oefening, ja een uitgestoken hand om door de crisis heen te komen. Het kan ook mis gaan. Met name in de latere uitbreiding van deze cantate (Leipzig, 1723) wordt zwaar en moralistisch aangezet hoe je in de crisis volledig het onderspit kunt delven. Maar alle mogelijke ondergangsscenario’s ten spijt, voor Bach vormt Jezus een volstrekt veilige figuur: hij zal ons met zijn licht tot voorbij de brokstukken leiden. Hij is om vast te grijpen en nooit meer los te laten!

De melodie van het slotkoraal gaat op het eind naar beneden; Bach laat de strijkers veelzeggend omhoog gaan. Zevenstemmig is dat slotkoraal: vier vocale stemmen en drie instrumentale bovenstemmen. Vier: het getal van de aarde. En drie voor de hemel. Zeven: een prachtige volledigheid. De deconstructie van hemel en aarde levert een volmaakt nieuwe compositie op.


Henk Gols