Website Henk Gols

Cantate 33 ‘Allein zu dir, Herr Jesu Christ’

Petruskerk, 11 maart 2012

1. Openingskoor

Allein zu dir, Herr Jesu Christ,
Mein Hoffnung steht auf Erden;
Ich weiß, dass du mein Tröster bist,
Kein Trost mag mir sonst werden.
Von Anbeginn ist nichts erkorn,
Auf Erden war kein Mensch geborn,
Der mir aus Nöten helfen kann.
Ich ruf dich an,
Zu dem ich mein Vertrauen hab. 

2. Recitatief (bas)

Mein Gott und Richter, willst du mich aus dem Gesetze fragen,
So kann ich nicht,
Weil mein Gewissen widerspricht,
Auf tausend eines sagen.
An Seelenkräften arm und an der Liebe bloß,
Und meine Sünd ist schwer und übergroß;
Doch weil sie mich von Herzen reuen,
Wirst du, mein Gott und Hort,
Durch ein Vergebungswort
Mich wiederum erfreuen.

3. Aria (alt)

Wie furchtsam wankten meine Schritte,
Doch Jesus hört auf meine Bitte
Und zeigt mich seinem Vater an.
Mich drückten Sündenlasten nieder,
Doch hilft mir Jesu Trostwort wieder,
Dass er für mich genung getan.

4. Recitatief (tenor)

Mein Gott, verwirf mich nicht,
Wiewohl ich dein Gebot noch täglich übertrete,
Von deinem Angesicht!
Das kleinste ist mir schon zu halten viel zu schwer;
Doch, wenn ich um nichts mehr
Als Jesu Beistand bete,
So wird mich kein Gewissensstreit
Der Zuversicht berauben;
Gib mir nur aus 
Barmherzigkeit 
Den wahren Christenglauben! 
So stellt er sich mit guten Früchten ein
Und wird durch Liebe tätig sein.

5. Aria (duet tenor, bas)

Gott, der du die Liebe heißt,
Ach, entzünde meinen Geist,
Lass zu dir vor allen Dingen
Meine Liebe kräftig dringen!
Gib, dass ich aus reinem Triebe
Als mich selbst den Nächsten liebe;
Stören Feinde meine Ruh,
Sende du mir Hülfe zu!

6. Slotkoraal

Ehr sei Gott in dem höchsten Thron,
Dem Vater aller Güte,
Und Jesu Christ, sein'm liebsten Sohn,
Der uns allzeit behüte,
Und Gott dem Heiligen Geiste,
Der uns sein Hülf allzeit leiste,
Damit wir ihm gefällig sein,
Hier in dieser Zeit.
Und folgends in der Ewigkeit.

Deze cantate werd uitgevoerd op de zondag (13e na Trinitatis, 3 september 1724) waarop in de Thomaskirche te Leipzig volgens een oud middeleeuws lezingenrooster het evangelie aan de orde was dat als volgt begint:

En zie, er stond een wetgeleerde op, stelde hem op de proef en sprak: ‘Meester, wat moet ik doen om het eeuwige (= waarachtige) leven te beërven?’ Hij sprak tot hem: ‘Hoe staat het in de Wet geschreven? Hoe lees je?’ Hij antwoordde en sprak: ‘Je zult God, je Heer, liefhebben uit heel je hart, uit heel je ziel, uit al je kracht en uit heel je verstand, en je naaste als jezelf.’ Hij sprak tot hem: Je hebt juist geantwoord; doe dat, dan zul je leven.’(Lucas 10:25-28)

Wet en liefde ineen, ze vallen samen, ze omcirkelen elkaar als de stemmen in het duet van deel 5 van de cantate. Zoals in vele levensbeschouwingen met enige diepte, vormt compassie ook het hart van de joodse en christelijke godsdienst. Compassie is zo’n fundamenteel gegeven dat ze, ook als ze een tijdlang wordt weggedrukt, toch telkens weer naar boven komt. In het citaat uit het evangelie wéét de wetgeleerde desgevraagd dat het hart van zijn traditie, van heel de joodse Wet, de liefde is. Wet en liefde zingen helaas niet altijd in duet. In de praktijk schuiven regels, protocollen, gegroeide gewoonten van wat wel en niet mag, de liefde soms zomaar aan de kant.

Leven is meer dan je aan de regels houden. Dan elkaar de wet voorschrijven. ‘Mijn god en rechter, als u mij ondervraagt over de Wet, dan heb ik niets te zeggen, dan klaagt mijn geweten me aan, ik beantwoord nog niet aan één van de duizend dingen die u vraagt’ (2). Ik blijf in gebreke, niet een beetje, zelfs het weinige dat van mij verwacht wordt komt niet uit de verf. Zo horen we dat in beide recitatieven, het klinkt overdreven, maar de overdrijving wil onthullen waar de sleutel is te vinden tot het waarachtige leven. De apostel Paulus en in zijn voetspoor de protestantse Reformatie overdrijven om voor eens en altijd duidelijk te maken dat leven en samenleven niet lukken als we het van regels verwachten. Regels waaraan een ander moet voldoen — maar let eens op: het lukt jezelf niet eens!

Liefde en compassie, ze vormen het hart van je religieuze traditie, zegt Jezus. Maar in de praktijk moet dat in alle eeuwen na hem steeds weer opnieuw worden geleerd. De kerk bijvoorbeeld  is niet de plaats geworden waar mensen eindelijk ophouden elkaar te maat te nemen en vanzelfsprekend en vreugdevol de liefde wordt geleefd. Vaak integendeel. En toch vormen liefde en compassie ook háár hart. Je hoort het in deze cantate, waarin wij de mensen zijn die het niet maken, geen zekere stappen zetten, maar ons wankelend een weg zoeken. Maar die daarvoor niet gestraft worden. Die last hebben van hun eigen geweten, maar tot hun vreugde (laatste regel van het recitatief van de bas) niet een strenge, eisende, veroordelende instantie tegenover zich vinden.

Feestelijk begint de cantate, met een sterk soort troost en vertrouwen. Dadelijk stuwt de muziek omhoog. Schitterend omgeeft en draagt ze de melodie van het koraal (van Konrad Ubert, 1540) met eigen thema’s. Bijzonder hoe orkest en koor hun eigen muzikale weg durven gaan en zich toch grandioos met elkaar weten te verbinden. Is dat een uitdrukking van de liefde, die verschillen intact laat en zo juist ongekende rijkdom oplevert?

De aria van de alt (3) is van een bijzondere schoonheid en warmte. De aria gáát maar door, er lijkt geen eind aan te komen. Alsof een heel leven van miskleunen, van foute stappen alle kanten op, zich presenteert — onze eindeloos aarzelende weg, die hoe dan ook gedragen blijkt door goddelijk erbarmen. De figuur van Jezus verschijnt: een icoon van die wonderlijke eeuwige compassie. Hij is genoeg. Dat ik niet genoeg heb gedaan, dat ik tekort ben geschoten, blijkt niet bepalend. Ergens, buiten mij, ondanks mij, is er genoeg, en uit dat genoeg dat er los van mij is, mag ik putten.

Vóór het slotkoraal horen we opnieuw een aria, een duet. Of is het een kwartet, als je de hobo’s meerekent? In de stemmen van tenor en bas en in de hobo’s wervelt de liefde in parallelle tertsen en sexten. Een sfeer van innigheid, een liefdesdans.

De cantate wordt afgesloten met een eerbetoon aan Vader, Zoon en heilige Geest. Typisch christelijke gewoonte. Zelfs het diepste geheim is niet één pot nat. Een is drie. De verbinding is er juist waar er verschillen mogen blijven. Het verschil is geen enkel probleem om tot eenheid te komen. Liefde máákt het verschil. En compassie is alleen maar mogelijk als er iemand te omhelzen valt.


Henk Gols