Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 188 ‘Ich habe meine Zuversicht’

Petruskerk,
13 november 2011

1. Sinfonia

2. Aria (tenor)

Ich habe meine Zuversicht
Auf den getreuen Gott gericht,
Da ruhet meine Hoffnung feste.
Wenn alles bricht, wenn alles fällt,
Wenn niemand Treu und Glauben hält,
So ist doch Gott der allerbeste.

3. Recitatief (bas)

Gott meint es gut mit jedermann,
Auch in den allergrößten Nöten.
Verbirget er gleich seine Liebe,
So denkt sein Herz doch heimlich dran,
Das kann er niemals nicht entziehn;
Und wollte mich der Herr auch töten,
So hoff ich doch auf ihn.
Denn sein erzürntes Angesicht
Ist anders nicht
Als eine Wolke trübe,
Sie hindert nur den Sonnenschein,
Damit durch einen sanften Regen
Der Himmelssegen
Um so viel reicher möge sein.
Der Herr verwandelt sich in einen grausamen,
Um desto tröstlicher zu scheinen;
Er will, er kann's nicht böse meinen.
Drum lass ich ihn nicht, er segne mich denn.

4. Aria (alt)

Unerforschlich ist die Weise,
Wie der Herr die Seinen führt.
    Selber unser Kreuz und Pein
    Muss zu unserm Besten sein
    Und zu seines Namens Preise.

5. Recitatief (sopraan)

Die Macht der Welt verlieret sich.
Wer kann auf Stand und Hoheit bauen?
Gott aber bleibet ewiglich;
Wohl allen, die auf ihn vertrauen!

6. Slotkoraal

Auf meinen lieben Gott
Trau ich in Angst und Not;
Er kann mich allzeit retten
Aus Trübsal, Angst und Nöten;
Mein Unglück kann er wenden,
Steht alls in seinen Händen.

Even over ‘God’:

God is niet een object, een poppetje waarvan je het bestaan al of niet kan betwijfelen. God is eerder een code. Een code die aanduidt waar je voor gaat, wat jou aanspreekt en roept en jouw vertrouwen wekt, waarop je met hart en ziel, met talent en energie antwoord geeft. De code ‘God’ staat in de cantate voor het ‘allerbeste’, voor wat stevigheid en hoop biedt, voor wat veilig en reddend is. ‘Lieve God’, zingt u straks in het slotkoor.

Status en macht storten zomaar in. In het recitatief van de sopraan hóór je hoe ze vergruizelen (5). Wat daarentegen met God wordt aangeduid laat zich horen als iets duurzaams; het is volledig te vertrouwen.

Maar in het midden van de cantate (3 en 4) gebeurt iets vreemds, met name in het recitatief van de bas. Dat het ultieme in het leven liefde is, is niet meer zichtbaar. Wolken schuiven voor de zon. God staat opeens voor woede, voor iets dat verschrikkelijk is en pijn doet, dat mij wil doden. Ik deins echter niet terug, ik vlucht niet weg, juist aan wat opeens zo dreigend is probeer ik zegen te ontlokken: ‘ik laat hem niet gaan, tenzij hij mij zegent’, eindigt de bas in een notabene teder arioso.

‘Ik laat je niet gaan, tenzij je me zegent’ — zegt in het eerste bijbelboek (Genesis 32:23-33) aartsvader Jakob. Hij zegt het op een beslissend moment in zijn leven, als hij op het punt staat na een lange ballingschap weer thuis te komen. Ooit is hij weggegaan, gevlucht voor zijn broer. Nu keert hij terug. Terugkeren kan niet zomaar: er is teveel gebeurd. Hij moet een laatste drempel over, een rivier door, hij ondergaat een rite de passage. Hij vecht zich door de nacht. Hij vecht met iets, met iemand, met zichzelf, met God. In deze worsteling in de nacht van zijn leven raakt zijn heup ontwricht. Maar hij geeft niet op, hij weet: hier moet ik helemaal doorheen, iets problematisch in en rond mij maakt het nodig dat ik tot de bodem ga wil ik kunnen thuiskomen. Dus vecht hij maar door en roept tegen zijn tegenstander: ‘ik laat je niet gaan, tenzij je me zegent.’ Hinkend komt hij uit het gevecht tevoorschijn. Maar de nacht is voorbij, de de zon gaat over hem op. hij draagt een nieuwe naam, hij heeft zich naar een nieuwe identiteit toe geworsteld.

De donkere nacht zet de hoop en het vertrouwen van deze cantate onder spanning. Wat vertrouwd lijkt, presenteert zich opeens als vreemd en levensbedreigend.

De geschiedenis van deze cantate lijkt van die ontwrichtende kanteling een illustratie. De cantate is in stukken geknipt, fragmenten hebben zich naar alle kanten verspreid en zijn deels verloren gegaan. En toch: hier is-ie weer. Gered, gereconstrueerd, de nacht van een lange ballingschap doorgekomen. Als om ons vertrouwen te geven voor het moment dat heel niet meer heel is en veilig niet meer veilig.


Henk Gols