Website Henk Gols

Cantate 137 'Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren'

Petruskerk,
11 september 2011

1. Openingskoor

Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren!
Meine geliebete Seele, das ist mein Begehren.
Kommet zu Hauf,
Psalter und Harfen, wacht auf!
Lasset die Musicam hören!


2. Aria (alt)
Lobe den Herren, der alles so herrlich regieret,
Der dich auf Adelers Fittichen sicher geführet,
Der dich erhält,
Wie es dir selber gefällt;
Hast du nicht dieses verspüret?


3. Aria (duet sopraan en bas)
Lobe den Herren, der künstlich und fein dich bereitet,
Der dir Gesundheit verliehen, dich freundlich geleitet;
In wieviel Not
Hat nicht der gnädige Gott
über dir Flügel gebreitet!


4. Aria (tenor)

Lobe den Herren, der deinen Stand sichtbar gesegnet,
Der aus dem Himmel mit Strömen der Liebe geregnet;
Denke dran,
Was der Allmächtige kann,
Der dir mit Liebe begegnet.


5. Slotkoraal

Lobe den Herren, was in mir ist, lobe den Namen!
Alles, was Odem hat, lobe mit Abrahams Samen!
Er ist dein Licht,
Seele, vergiß es ja nicht;
Lobende, schließe mit Amen!

Van de dichter van het lied dat zingt in de cantate van deze zondag, is de naam bekend: Neander. Alleen liefhebbers van de motorsport zullen dadelijk denken aan het gelijknamige Duitse motormerk. De meesten van u zullen vermoedelijk de associatie maken met ‘Neanderthaler’. De Neanderhaler is een uitgestorven mensensoort. De soort verdween ruim 30.000 jaar geleden. Her en der in Azië en Europa zijn fossielen gevonden. Zo ook in het lieflijke dal van de Düssel, dichtbij Düsseldorf. Dat was het dal waar ene Joachim Neander (1650-1680) graag wandelde. Joachim Neander was de jonge rector van de gereformeerde Latijnse school. Hij leefde in de tijd na de verwoestende 30-jarige oorlog (1618 tot 1648), die littekens had nagelaten in de steden en dorpen, maar — zoals bij elke oorlog — ook de ziel van het volk had beschadigd. Joachim Neander behoorde tot degenen die de gewonde ziel wilde helen; die de kerk haar ziel wilden teruggeven. Hij moet tot de verbeelding van de mensen hebben gesproken, want het dal waar hij zo graag zijn wandelingen maakte werd later naar hem genoemd: Neanderthal. En de uitgestorven Neanderthaler heet op zijn beurt naar het dal waar in 1856 enkele van zijn fossiele resten werden gevonden.

Joachim Neander vertrok uit Düsseldorf om predikant te worden in het gereformeerde Bremen, zijn vaderstad. Hij was er nog maar net toen hij stierf aan de pest, dertig jaar oud.

Deze Joachim Neander schreef meerdere kerkliederen en componeerde ook zelf melodieën. Maar zijn lied ‘Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren’ baseerde hij op de melodie van een bestaand wereldlijk lied, dat in die tijd bijzonder populair was. Om eerlijk te zijn is dat wereldse lied (‘Seh’ ich nicht blinkende /  flinkende / Sterne aufgehen?’) poëtisch en muzikaal sterker, met een sierlijk binnenrijm en een spannender ritmiek. Maar ook Joachim’s geestelijke versie heeft het helemaal gemaakt, is wijd en zijd verspreid en tot op de dag van vandaag nog in Nederlandse liedbundels, zowel protestants als katholiek, terug te vinden.


Bach wijdt er in 1725 een cantate aan: de cantate voor de 12e zondag na Trinitatis, waarop in zijn lutherse traditie het evangelie gelezen werd van de doofstomme man, bij wie Jezus de oren en de mond opent (Marcus 7:31-37). Het swingt eruit: uitbundig opent de cantate, met trompetten en pauken. Zomaar een zondag door het jaar en dan een zo hoge feestelijkheid!

Ook in het slotkoor weer de trompetten en pauken.

Bach neemt de tekst van de vijf coupletten van het lied van Joachim Neander integraal over. Alle vijf coupletten beginnen met ‘Lobe den Herren’. In alle vijf delen van de cantate is de melodie van het lied duidelijk aanwezig.

Openingskoor en slotkoor vormen de stralende omlijsting, waarin heel het koor zingt. In de delen 2 en 4, aria’s voor respectievelijk de alt en de tenor, treedt de uitbundigheid terug. Het middelste deel 3 is een innig duet, gezongen door sopraan en bas; ook de twee hobo’s laten zich in duet horen. Dit dubbelduet vormt de spil van de cantate. Het geeft diepte aan het loven. Want door heel het lied van Joachim klinkt wel op hoge toon ‘Lobe den Herren’, maar daar in het midden komt de menselijke nood ter sprake. Het duet staat in mineur en waar gezongen wordt ‘in wieviel Not’, wringt het ingewikkeld in de muziek.

Bach laat de sopraan en de bas de veelzeggende regels herhalen:


‘In wieviel Not / hat nicht der gnädige Gott / über dir Flügel gebreitet!’
‘In hoeveel nood wel niet / heeft de genadige God / over jou zijn vleugels uitgespreid!’


In het midden die menselijke nood. En meteen ook de bevlogenheid, de vleugels die jou beschermen. ‘Lobe den Herren’: nee het loven is niet zomaar ins Blaue hinein, het loven is er omdat in het leven iets gebeurt, in het gewonde leven.

Er zijn vleugels: in deel 2 horen we in de virtuoze vioolsolo de vleugels van de adelaar, die jou dragen.

Als in deel 4 de tenor zijn aria zingt in a-mineur, klinkt als uit de hemel de melodie van het lied in C-majeur, gespeeld door de trompet.

In tekst en muziek wordt tot uitdrukking gebracht dat er iets dat jou draagt, dat jou wil bereiken (‘merk je het niet?’ 2e deel). In jouw nood wordt jou een melodie geschonken.

Het lied richt zich tot jou, mijn ziel. Ik probeer mijn ziel met redenen te overtuigen om de lofzang te zingen. In mij is een gesprek gaande. Ik en mijn ziel, ze vallen niet zomaar samen. Maar alles in het lied stuwt naar het beamen van de lofzang: dat ik zing met mijn lieve ziel en mijn verlangen; dat ik zing met alles wat adem heeft. Ik roep mijzelf, ik roep mijn ziel op om te loven. En mijn gewonde ziel, mijn ziel in nood, krijgt vleugels. Ja de feestelijke omlijsting van deze cantate is een wiekslag. Hoor maar hoe de cantate begint met een prachtig en sterk vreugde-motief, gespeeld door de instrumenten en gezongen door de koorstemmen, voordat de melodie van het lied zich meldt in de sopraanpartij.


Nog één ding: Joachim Neander behoorde tot de gereformeerde, dat is de calvinistische traditie. In die traditie was, anders dan bij de lutheranen, het zingen van de psalmen in de eredienst een fundamenteel gegeven. Het zingen van de joodse psalmen. In Joachims tijd waren er ook mensen die de meest verschrikkelijke dingen over het jodendom uitdroegen. Zo schreef de erudiete Johann Andreas Eisenmenger in die tijd het schandelijke boek Entdecktes Judentum, waarop we nu meteen het stempel ‘anti-semitisch’ zouden plakken. Geheel anders zingt Joachim in het laatste couplet van zijn lied in uitgesproken verbondenheid met ‘het zaad van Abraham’ (‘Alles, was Odem hat, lobe mit Abrahams Samen!’). Op deze nine-eleven, tien jaar na 11 september 2001, is het opmerkelijk dat we onze ziel oproepen om ‘met de kinderen van Abraham’ de lof te zingen. De kinderen van Abraham — dat zijn, weten we nu, joden en moslims en christenen (en niet-meer-christenen) samen.

De gewonde ziel geneest alleen maar in de verbinding.


Henk Gols