Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 123 'Liebster Immanuel, Herzog der Frommen'

Petruskerk, 8 januari 2012

1. Openingskoor

Liebster Immanuel, Herzog der Frommen,
Du, meiner Seele Heil, komm, komm nur bald!
Du hast mir, höchster Schatz, mein Herz genommen,
So ganz vor Liebe brennt und nach dir wallt.
Nichts kann auf Erden
Mir liebers werden,
Als wenn ich meinen Jesum stets behalt.

2. Recitatief (alt)

Die Himmelssüßigkeit, der Auserwählten Lust
Erfüllt auf Erden schon mein Herz und Brust,
Wenn ich den Jesusnamen nenne
Und sein verborgnes Manna kenne:
Gleichwie der Tau ein dürres Land erquickt,
So ist mein Herz
Auch bei Gefahr und Schmerz
In Freudigkeit durch Jesu Kraft entzückt.

3. Aria (tenor)  

Auch die harte Kreuzesreise
Und der Tränen bittre Speise
Schreckt mich nicht.
    Wenn die Ungewitter toben,
    Sendet Jesus mir von oben
    Heil und Licht.

4. Recitatief (bas)  

Kein Höllenfeind kann mich verschlingen,
Das schreiende Gewissen schweigt.
Was sollte mich der Feinde Zahl umringen?
Der Tod hat selbsten keine Macht,
Mir aber ist der Sieg schon zugedacht,
Weil sich mein Helfer mir, mein Jesus, zeigt.

5. Aria (bas)

Lass, o Welt, mich aus Verachtung
In betrübter Einsamkeit!
Jesus, der ins Fleisch gekommen
Und mein Opfer angenommen,
Bleibet bei mir allezeit.

6. Slotkoraal

Drum fahrt nur immer hin, ihr Eitelkeiten,
Du, Jesu, du bist mein, und ich bin dein;
Ich will mich von der Welt zu dir bereiten;
Du sollst in meinem Herz und Munde sein.
Mein ganzes Leben
Sei dir ergeben,
Bis man mich einsten legt ins Grab hinein.

‘Liefste, mijn grootste schat,
je hebt mijn hart gestolen
ik brand en vlam van liefde voor je,
zo lief kan mij niets op aarde zijn
dan dat ik jou altijd bij me heb.’

Deze woorden klinken in het openingskoor van deze cantate. En je weet: hier zingt de muze van de minne. Ook de muziek laat horen: hier wordt schitterend bruiloft gevierd. Statig wordt voortgeschreden. De bruidegom is een hertog — met zijn gevolg uiteraard, een voornaam gezelschap. Zien we daar niet koningen uit een ver verwijderd oosten? Wat een feest! Nog onderweg, wordt het gezelschap toegezongen: de bruid met haar gevolg laat een welkom horen. ‘Kom, kom nu gauw!’, klinkt het.

Een cantate voor 6 januari, Epifanie Het feest van de stralende verschijning wordt in onze lage landen wel ‘Driekoningen’ genoemd. Er is echter meer aan de orde dan dat magiërs uit het Oosten met koninklijke gaven het pasgeboren christuskind bezoeken (Matteüs 2:1-12). In oude gregoriaanse antifonen hoor je waar het bij Epifanie om gaat:


‘Vandaag is de kerk met haar hemelse bruidegom verbonden,
want in de Jordaan heeft Christus haar overtredingen afgewassen.
De wijzen snellen met geschenken naar de koninklijke bruiloft.
En de genodigden verheugen zich over de wijn, uit water geworden.’ *


In oude christelijke traditie worden verschillende aspecten van het Epifaniefeest poëtisch met elkaar verweven. Jezus wordt voorgesteld als hemelse bruidegom. Zijn doop in de Jordaan (Matteüs 3:13-17) betekent de reiniging van de bruid: hoe bedenkelijk ook haar verleden moge zijn, ongerept is ze nu met hem verbonden. Het bezoek van de magiërs betreft geen kraamvisite: ze komen voor de bruiloft. Op het feest is wijn genoeg, geschept uit grote watervaten (Johannes 2:1-11).

Dergelijke vóór-reformatorische mystieke thema’s werken door in het Duitse lutherse piëtisme. Zo blijkt hét lied voor Epifanie, ‘Wie schön leuchtet der Morgenstern’ van Philipp Nicolai (1599), doordrenkt van de minne, uitbundig zingt het van bruiloft. Op Epifanie treedt de messias stralend toe op zijn bruid en zij sluit hem als liefste in de armen.


Ook Ahasverus Fritsch was zo’n lutherse piëtist. Hij dichtte in 1679 het kerklied ‘Liebster Immanuel’, niet eens speciaal bedoeld voor 6 januari. Een latere onbekende tekstschrijver vond het lied terecht geschikt om het om te werken tot een cantate voor Epifanie. Bach gebruikte de tekstbewerking voor de cantate die hij op 6 januari 1725 in Leipzig uitvoerde.

Bruiloft dus. Louter feest zou het zijn als alleen maar het eerste, tweede en laatste deel van de cantate zouden klinken: het openingskoor, het recitatief van de alt en het slotkoor. In deze drie delen klinken liefde en vreugde vrijwel ongebroken. Bezongen wordt een totale overgave, ‘tot de dood ons scheidt’ (‘bis man mich einsten legt ins Grab hinein’, laatste regel van het slotkoor).

‘Liebster Immanuel’, deze fascinerende aanhef van het openingskoor, de eerste zes noten, de versiering op de vierde noot als als een buiging vol eerbiedige liefde — het lijkt de toon te zetten van een feest waarop niets meer mis kan gaan. Immanuel — titel van de messias: ‘God-met-ons’. Liebster Immanuel — je bent me zo lief, tot in mijn ziel ben je me zo bevrijdend. Zoetheid uit de hemel ben je, zingt het in het alt-recitatief (2). Je naam is als manna, brood uit den hoge. Als dauw ben je op dor land. Ik ben zo blij verrukt van je. Ook bij gevaar en pijn…

In voor- én tegenspoed. De tegenspoed komt schrijnend aan de orde in de aria van de tenor (3), het recitatief (4) en de aria van de bas (5). De lieve bruid wacht geen gemakkelijke weg. Ze zingt zich niettemin boven de moeilijkheden uit. Het stevigst klinkt haar vertrouwen in het recitatief van bas, tussen beide aria’s in. En ook in de middendeeltjes van de aria’s. Beide aria’s zijn opgebouwd volgens een a-b-a’-schema: het begin van de aria wordt op het eind herhaald, middenin komt in muziek en tekst iets nieuws aan de orde. In de aria van de tenor lijkt dat nieuwe eerst de verheviging van een kruisweg vol bittere tranen (let op de kruizen in de muziek!): onweer woedt alom. Maar dan dalen uit de hoogte, hoorbaar, heil en licht. Het midden dat zich vult met heil en licht, wordt evenwel omgeven door zo’n nadrukkelijke ontkenning van de schrik, dat je denkt: hier is wél iets aan de hand…

In de aria van de bas wordt droeve eenzaamheid benadrukt. Lieve bruid, je hebt geen plek in deze wereld: wat word je veracht, wat ben je alleen.

In het midden van de aria echter weet ze haar bruidegom nabij.

In het slotkoor horen we weer de melodie ‘Liebster Immanuel’, warm, troostend en sterk. De bruid geeft zich weg aan deze vreemde bruidegom, die haar zo’n moeizame levenstocht bezorgt. ‘Tot ze me in het graf leggen, is heel mijn leven voor jou’, zingt ze.

Je pad hoeft blijkbaar niet over rozen te gaan om deze liefde hoog en diep te kunnen leven. De cantate bezingt het stralend binnentreden van groot geluk.


Henk Gols


* Antifoon bij de lofzang van Zacharias, in de lauden van Epifanie.