Website Henk Gols

Cantate 112 ‘Der Herr ist mein getreuer Hirt’

Petruskerk, 8 mei 2011

1. Koor

Der Herr ist mein getreuer Hirt,

Hält mich in seiner Hute,

Darin mir gar nichts mangeln wird

Irgend an einem Gute,

Er weidet mich ohn Unterlass,

Darauf wächst das wohlschmeckend Gras

Seines heilsamen Wortes.


2. Aria (alt)

Zum reinen Wasser er mich weist,

Das mich erquicken tue.

Das ist sein fronheiliger Geist,

Der macht mich wohlgemute.

Er führet mich auf rechter Straß

Seiner Geboten ohn Ablass

Von wegen seines Namens willen.


3. Recitatitief (bas)

Und ob ich wandelt im finstern Tal,

Fürcht ich kein Ungelücke

In Verfolgung, Leiden, Trübsal

Und dieser Welte Tücke,

Denn du bist bei mir stetiglich,

Dein Stab und Stecken trösten mich,

Auf dein Wort ich mich lasse.


4. Aria (duet sopraan en tenor)

Du bereitest für mir einen Tisch

Vor mein' Feinden allenthalben,

Machst mein Herze unverzagt und frisch,

Mein Haupt tust du mir salben

Mit deinem Geist, der Freuden Öl,

Und schenkest voll ein meiner Seel Deiner geistlichen Freuden.


5. Koor

Gutes und die Barmherzigkeit

Folgen mir nach im Leben,

Und ich werd bleiben allezeit

Im Haus des Herren eben,

Auf Erd in christlicher Gemein

Und nach dem Tod da werd ich sein

Bei Christo meinem Herren.

De goede herder met een schaap op de schouders. Een oeroud, vóór-christelijk beeld, al bekend van afbeeldingen op wanden van huizen, tal van grafmonumenten en gebruiksvoorwerpen uit de Romeinse tijd. Het beeld komt voort uit een blijkbaar diep menselijk besef: gemakkelijk verdwalen wij in het leven en zeker na ons sterven lopen we verloren, maar moge iemand onze arme ziel op de schouders nemen en ons thuisbrengen. Christenen in de allereerste eeuwen vulden die al zo bekende en geliefde herderlijke gestalte met een bijbelse inhoud. ‘De Heer is mijn herder’, zongen ze met psalm 23. ‘De Heer’: God dus. Maar God is niet uit te beelden, Jezus wel. Jezus maakt de Onzichtbare zichtbaar: in hem verschijnt God met ogen en handen en een dragende schouder. Al eind 1e eeuw, dus helemaal aan het begin van de kerk, verschijnt hij in de schilderingen in de catacomben, de ondergrondse begraafplaatsen van Rome: als de Opgestane stapt hij de sfeer van de dood binnen en tilt de doden op naar het leven.

De goede herder komen we tegen als vast onderdeel van het programma van de christelijke kunst van de eerste eeuwen: op fresco’s, in mozaïeken, in hout en steen. In de Middeleeuwen is het afgelopen met die vanzelfsprekendheid. Daarna, in reformatie en contra-reformatie, keert het motief terug. In de beeldende kunst en in de muziek zingt het zich een weg naar de dag van vandaag.

De goede herder: soms levert die gestalte kitscherige plaatjes op en zijn de armen van de herder al te veilig. De dichter Anton Korteweg schrijft (in het gedicht Zoek uit de dichtbundel Voor de goede orde, 1988):


Liever is het mij te dwalen door het dal van
diepe duisternis, in mijzelf verward en
vrezend alle kwaad, verlangend naar
wie ik ontvlucht ben, dan dat ik het moet
meemaken dat je me weervindt, weerloos en met
horens verstrikt in de struiken natuurlijk.

En dat je mij dan dragen zou en terug
zou voeren naar de grote kudde waarvan jij
altijd al wist dat ik daarvan een heel,
een heel klein schaapje was, natuurlijk. Nee

Spaar mij de ontferming van
die reddende armen van jou.


Maar de goede herder hoort oorspronkelijk helemaal niet thuis in een sfeer van benepen en onmondig christelijk geloof, waaruit je maar beter voorgoed ontsnapt. De gestalte verschijnt in het evangelie en in de vroege catacombenkunst op de grens van leven en dood: hij nodigt uit tot leven voorbij de benepenheid, voorbij het afgeknepen worden, tot leven in volheid, boven alle verwachting — zoals verwoord door de dichter Rutger Kopland (in het gedicht Al die mooie beloften, in de dichtbundel Dit uitzicht, 1982):


De grazige weiden, de stille wateren,
ik heb ze gezocht en inderdaad
gevonden, ze waren nog mooier
dan mij was beloofd,
prachtig.


Ook Bach schildert zijn goede herder. In cantate 112 neemt hij een koraal uit de vroege reformatie als uitgangspunt: een bewerking van psalm 23 van de hand van Wolfgang Meuslin: Der Herr ist mein getreuer Hirt, hält mich in seiner Hüte (1530). In de vroege reformatie staan de dingen nog op scherp, er moet gekozen worden, risico’s moeten worden genomen, mensen betalen met hun geld en goed en met hun leven. In deze setting verschijnt de goede herder als een beeld geladen met oude kracht.

Bach neemt de tekst van het koraal integraal over — blijkbaar omdat hij op dat moment niet beschikt over een tekstdichter die het koraal vrij en eigentijds zou kunnen bewerken en beter geschikt maken voor het componeren van recitatieven en aria’s. Bach maakt van de oude koraaltekst niettemin een feest.

Het koraal is psalm 23 in een luthers jasje. Maar toch: een psalm. Psalmen slaan nooit de diepte over. Ook in het recitatief van de bas (3) komt die diepte muzikaal tot uitdrukking: de bas wandelt hoorbaar een donker dal binnen: vervolging, lijden, treurigheid, gemeenheid worden in de muziek nadrukkelijk onderstreept.

Even nadrukkelijk wordt in de muziek hoorbaar gemaakt ‘dat jij steeds bij mij bent’ (woorden die het veelzeggende midden vormen van de oorspronkelijke Hebreeuwse psalmtekst!).

De Heer is mijn trouwe herder: bij dat beeld hoort de grazige weide, die in het lutherse koraal geïnterpreteerd wordt als Gods smakelijke, heilzame woord (1). Daar hoort ook bij het heldere water, dat in het koraal wordt verbonden met heilige geest (2). Bach laat horen dat heilige geest staat voor wat beweegt, stroomt, sprankelt. De geest voert ons mee op een weg zonder kronkels, die gevormd wordt door gegeven woorden die ons de juiste richting wijzen (de Geboten).

Plotseling verschijnt in de psalm en dus ook in het koraal en in de cantate een ander beeld: de herder wordt gastheer (4). De tafel staat gedekt! Bach zorgt voor feestelijke tafelmuziek middels een dansend duet. In een vijandige omgeving ben ik volkomen veilig, mijn hoofd wordt met olijfolie gezalfd — het is de vreugdeolie van de heilige geest, weten de lutheranen.

Louter goedheid en barmhartigheid achtervolgen ons, zingt het slotvers — tegen de verdrukking in die door psalm en koraal heen schemert! En uiteindelijk kom ik thuis. Thuiskomen beleef ik nu al in de kerk, maar straks zeker ook door de dood heen. Daarmee zijn we weer terug bij de intuïtie die spreekt uit antieke Romeinse schilderingen en uit de christelijke fresco’s uit de tijd van de catacomben.

Nee, psalm noch cantate zijn gezapig. Feestvieren in het aangezicht van wat juist zó bedreigend is — daar gaat het om, tot een dergelijke moedige triomfantelijkheid nodigt de cantate ons in deze Paastijd van harte uit.


Henk Gols