Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 87 ‘Bisher habt ihr nichts gebeten in meinem Namen’

Petruskerk, 9 mei 2010

1. Arioso, bas

Bisher habt ihr nichts gebeten in meinem Namen.


2. Recitatief, alt

O Wort, das Geist und Seel erschreckt!

Ihr Menschen, merkt den Zuruf, was dahinter steckt!

Ihr habt Gesetz und Evangelium vorsätzlich übertreten;

Und dies möcht' ihr ungesäumt in Buß und Andacht beten.


3. Aria, alt

Vergib, o Vater, unsre Schuld

Und habe noch mit uns Geduld,

Wenn wird in Andacht beten

    Und sagen: Herr, auf dein Geheiß,

    Ach, rede nicht mehr sprichwortsweis,

    Hilf uns vielmehr vertreten.


4. Recitatief, tenor

Wenn unsre Schuld bis an den Himmel steigt,

Du siehst und kennest ja mein Herz, das nichts vor dir verschweigt;

Drum suche mich zu trösten!


5. Arioso, bas

In der Welt habt ihr Angst; aber seid getrost, ich habe die Welt überwunden.


6. Aria, tenor

Ich will leiden, ich will schweigen,

Jesus wird mir Hilf erzeigen,

Denn er tröst' mich nach dem Schmerz.

Weicht, ihr Sorgen, Trauer, Klagen,

Denn warum sollt ich verzagen?

Fasse dich betrübtes Herz!


7. Koraal

Muss ich sein betrübet?

So mich Jesus liebet,

Ist mir aller Schmerz

Über Honig süße,

Tausend Zuckerküsse

Drücket er ans Herz.

Wenn die Pein sich stellet ein,

Seine Liebe macht zur Freuden

Auch das bittre Leiden.

Het is zondag Rogate in de Paastijd. ‘Rogate’ betekent ‘vráágt!’, ‘bidt!’ De Latijnse namen van de zondagen, die in de lutherse traditie tot op de dag van vandaag gehanteerd worden, herinneren aan de middeleeuwse Latijnse liturgie. Rogate is de zondag van het bidden. Het is de zondag vóór Hemelvaart. Het verweesde gevoel van alleengelaten te worden dient zich aan. De vreugde van Pasen verliest zijn uitbundige karakter.

Maar in de cantate voor vandaag is de paasvreugde geheel afwezig! Er is niets van over! Wat is er gebeurd in het lutheranisme van Bach’s dagen dat deze zondag zijn paaskarakter zo totaal is kwijtgeraakt? Wat is er aan de hand in Leipzig?

Bach heeft vanaf de zondag na Pinksteren, Trinitatis 1724, week aan week een cantate gemaakt op basis van een luthers kerklied. Hij wilde een complete jaarcyclus van koraalcantates. Vanaf Pasen 1725 echter valt hij plotseling terug op een eerdere vorm: op cantates op basis van kerkelijk voorgeschreven bijbellezingen. Zijn vaste librettist voor de koraalcantates levert geen teksten meer; is hij overleden? Bach voltooit zijn cantatejaargang nu met andere teksten, o.a. van de hand van Mariane Romanus. Mariane is een vrouw van 30 jaar. Ze woont in Leipzig weer thuis bij haar ouders, nadat ze voor de tweede keer weduwe is geworden en haar kinderen uit beide huwelijken verloren heeft. Ze wijdt zich nu aan literatuur en muziek. Ze schrijft poëzie. Ze schrijft cantateteksten. Jaren later zal ze voor de derde keer trouwen en heet ze Mariane von Ziegler.

Mariane schrijft voor zondag Rogate een cantatetekst waarin van paasvreugde niets meer te proeven is.

Twee keer neemt ze in haar tekst een woord van Jezus uit het evangelie van Johannes op. Die Jezuswoorden worden in Bach’s muziek, zoals gebruikelijk in de kerkelijke liturgie, door de bas vertolkt.

De cantate begint met het eerste Jezuswoord: ‘Tot nu toe hebben jullie niets gebeden in mijn naam.’ In het evangelie is het een open tekst, een uitnodiging om het bidden voortaan in te bedden in de figuur van Christus. Door in zijn naam te bidden blijf je niet steken bij jezelf, je bestaan opent zich, er ontstaat beweging: je bidden gaat mee in de stromende beweging van de opstanding. Op die manier betekent bidden transformatie: het tilt je op, het verbindt je met leven dat door de dood is heengegaan.

Maar Mariane geeft aan het woord van Jezus over het bidden een andere, een loodzware betekenis. ‘Tot nu toe hebben jullie niets gebeden in mijn naam’ wordt door haar in het vervolg van de cantate geduid als: jullie hebben tot nu toe niet om vergeving gebeden. Je hebt iets nagelaten. Je hebt wet en evangelie overtreden en daarom moet je nu boetvaardig en geconcentreerd bidden. In haar cantatetekst worden wij neergezet met ons tekort. Falende mensen zijn we, en als zodanig overgeleverd aan veel ellende. Wij gaan gebukt onder schuld en boete. In de teksten van Mariane worden contouren zichtbaar van een zwaarmoedig, depressief christendom — waarvan we ons in de afgelopen decennia wel moesten bevrijden, wilden we léven.

Hoe je aan Jezus’ woorden, die uitnodigend en vol belofte zijn, zo’n zwaarmoedige draai kunt geven, is me een raadsel. Het zal met Mariane’s biografie te maken hebben; óók met algemeen aanwezige minder vrolijke tendensen in de eeuwen na de reformatie.

Troost is er wel, maar het is troost voor mensen die ongeneselijk zijn zoals ze zijn: zwaar en droevig. ‘In de wereld hebben jullie angst’, zo zingt de bas het tweede evangeliecitaat (5), ‘maar weest getroost, ik heb de wereld overwonnen.’ Dat klinkt wel hoopvol, maar in de cantate komt Jezus met zijn triomf buiten onze werkelijkheid te staan: hij is een troost van buitenaf, die onze tragische menselijke conditie onveranderd laat.

Voor het slotkoraal maakt Mariane gebruik van een strofe van een lied uit een eerdere eeuw, van Heinrich Müller (1659). In dat lied is eveneens sprake van lijden, maar we worden wél met duizend kussen overladen. Vreugde breekt door de pijn heen, liefde stroomt innig en zinnelijk. Bach laat het honingzoete koraal eindigen in D-majeur!

Verder is de cantate vooral mineur. Toch weet Bach via de muziek de zwaarmoedige geslotenheid van de teksten wat te openen.

Hoe mooi zijn de twee aria’s. De aria van de alt (3) is een muzikale vertolking van wat bidden is: een aandachtige, verstilde beweging, die maar doorgaat. Met melancholisch dalende motieven en gebroken akkoorden.

De aria van de tenor (6) is het enige cantatedeel in majeur. Vanaf de eerste maat is de muziek vol troost en begrip. Maarten ’t Hart: ‘Wat had ik moeten doen in al die moeilijke uren waarin de cantates mij getroost, opgebeurd, opgemonterd, bemoedig hebben, en op al die ellendige momenten waarbij ik de tenoraria uit cantate 87 maar hoefde te fluiten om mij alweer beter te voelen?’

Waarschijnlijk heeft Bach zelf een stukje tekst toegevoegd (hij veranderde regelmatig iets in bestaande libretto’s!), namelijk het recitatief van de tenor (4). Let u op de laatste regel: ‘Drum suche mich zu trösten!’ Die vraag om troost wordt in de muziek een naar alle kanten zoekende beweging. Zoek mij! Zoek mij aandachtig! Dat is het ware bidden: niet in de kring van je eigen ellende blijven ronddraaien, maar zoeken wat jou zoekt, je openen voor wat er morrelt aan je gesloten deuren en ramen, voor wat wil inbreken in je vicieuze cirkel.

Een cantate over het bidden, droef en toch troostend.


Henk Gols