Website Henk Gols

Cantate 72 'Alles nur nach Gottes Willen'

Petruskerk, 13 februari 2011

1. Koor

Alles nur nach Gottes Willen,
So bei Lust als Traurigkeit,
So bei gut als böser Zeit.
Gottes Wille soll mich stillen
Bei Gewölk und Sonnenschein.
Alles nur nach Gottes Willen!
Dies soll meine Losung sein.

2. Recitatief en Arioso (alt)

O selger Christ, der allzeit seinen Willen
In Gottes Willen senkt, es gehe wie es gehe,
Bei Wohl und Wehe.
Herr, so du willt, so muss sich alles fügen!
Herr, so du willt, so kannst du mich vergnügen!
Herr, so du willt, verschwindet meine Pein!
Herr, so du willt, werd ich gesund und rein!
Herr, so du willt, wird Traurigkeit zur Freude!
Herr, so du willt, und ich auf Dornen Weide!
Herr, so du willt, werd ich einst selig sein!
Herr, so du willt, - lass mich dies Wort im Glauben fassen
Und meine Seele stillen! -
Herr, so du willt, so sterb ich nicht,
Ob Leib und Leben mich verlassen,
Wenn mir dein Geist dies Wort ins Herze spricht!

3. Aria (alt)

Mit allem, was ich hab und bin,
Will ich mich Jesu lassen,
Kann gleich mein schwacher Geist und Sinn
Des Höchsten Rat nicht fassen;
Er führe mich nur immer hin
Auf Dorn- und Rosenstraßen!

4. Recitatief (bas)

So glaube nun!
Dein Heiland saget: Ich wills tun!
Er pflegt die Gnadenhand
Noch willigst auszustrecken,
Wenn Kreuz und Leiden dich erschrecken,
Er kennet deine Not und löst dein Kreuzesband.
Er stärkt, was schwach,
Und will das niedre Dach
Der armen Herzen nicht verschmähen,
Darunter gnädig einzugehen.

5. Aria (sopraan)

Mein Jesus will es tun, er will dein Kreuz versüßen.
Obgleich dein Herze liegt in viel Bekümmernissen,
Soll es doch sanft und still in seinen Armen ruhn,
Wenn ihn der Glaube fasst; mein Jesus will es tun!

6. Koraal

Was mein Gott will, das g'scheh allzeit,
Sein Will, der ist der beste,
Zu helfen den'n er ist bereit,
Die an ihn glauben feste.
Er hilft aus Not, der fromme Gott,
Und züchtiget mit Maßen.
Wer Gott vertraut, fest auf ihn baut,
Den will er nicht verlassen.

‘Alles nur nach Gottes Willen’ —

Op zaterdag 12 februari stond in dagblad Trouw een interview met Jan Bor, filosoof en publicist. Op het eind van het interview vertelt hij het volgende:


‘(…) een paar jaar geleden overleed mijn oudste broer en hoewel zijn huis dichtbij was besloot ik er met de taxi heen te gaan. Het was prachtig najaarsweer. De taxichauffeur bleek een lieve, oudere Marokkaanse man te zijn die een heel vrolijk verhaal wilde afsteken. Ik onderbrak hem en zei: “Het spijt me meneer, maar ik ben niet vrolijk want…” Afijn, hij hoorde mij aan en zei — ik voel nu weer de rilling door mijn lijf gaan — ’Het is Gods wil’. Daar heeft die man mij enorm mee getroost. Filosofisch vertaald zei hij: dat is iets waar wij niet bij kunnen. In zijn God kon ik op dat moment geloven.’


Vijf eeuwen terug in de tijd, in 1547, sterft Dorothea van Denemarken, de zeer geliefde gemalin van Albrecht, hertog van Pruisen. Albrecht zoekt troost en zet zich aan het dichten. Luthers uitleg van de bede uit het Onze Vader ‘uw wil geschiede’ inspireert hem tot het dichten van het lied ‘Was mein Gott will, das g’scheh allzeit’. Hij schrijft het bij de wonderschone en bewogen melodie die hij heeft gehoord tijdens een van de concerten bij hem aan huis: de melodie van het wereldlijke lied ‘Il me suffit’ van de Franse hofmusicus Claudin de Sermisy.

‘Alles nur nach Gottes Willen’ — wat betekent dat? Een God die geluk en ongeluk organiseert en toebedeelt? Die jouw broer van je wegneemt of jouw lieve Dorothea?

Op een tekst van Salomon Franck, hofdichter te Weimar, componeert Bach de cantate ‘Alles nur nach Gottes willen’. De cantate besluit met de eerste strofe van het zo-even genoemde koraal van hertog Albrecht.

Alles nur nach Gottes Willen’  — dus niet alleen het mooie, niet alleen het geluk; ook het kwade in het leven, de donkere wolken, de doornen op het pad, kruis en lijden. Alles — in het openingskoor hoor je de octaafsprongen; alle acht noten van het octaaf worden door vlugge zestiende nootjes omspeeld; er ontstaat een muzikaal vlechtwerk van instrumenten en stemmen, één groot spannend weefsel dat alles omvat en met Gods wil verbindt.

Maar in de cantate geen spoor van een onberekenbaar noodlot, geen spoor van een grillige god die angst aanjaagt om wat hij onverhoeds toebedeelt. Geen sprake van een god als programmeur van geluk en ongeluk. ‘Alles nur nach Gottes Willen’ is naar tekst en muziek een subtiel pogen dichtbij een geheim te komen dat wij niet oplossen, maar waaraan wij ons wel veilig kunnen toevertrouwen. ‘Gods wil’ is iets dat dieper zit dan wat wij aan geluk en ongeluk ervaren. Bij alles wat ons aan goed en kwaad overkomt, wil het met ons ergens naartoe. Er is een diepere beweging, een diepere bedoeling — met de woorden van Jean-Jacques Suurmond, psychotherapeut, pastor en columnist:


‘Als je bestaan ontmanteld wordt, je leven en werk tot een stop komt in een ziekenhuisbed, ja als niets meer zeker is, kan er iets overblijven dat ik voor het gemak maar onverklaarbare goedheid noem. Onverklaarbare godheid mag ook.’


Op een dergelijk tot-de-bodem-gaan zinspeelt ook het recitatief van de alt (begin van 2): ‘O gelukkig te prijzen is de christen die altijd, wat er ook gebeurt, zijn wil in Gods wil neerlegt.’ Het gaat er blijkbaar om je eigen wil in te bedden in een grotere wil, een wil ten goede, die geen schrik aanjaagt maar volledig te vertrouwen is.

Het is de wil uit het ‘uw wil geschiede’ van het Onze Vader — een wil die niet doelt op zomaar voor- en tegenspoed, maar op een drive diep in ons bestaan en zelfs in onze wereld, een stuwende beweging in de richting van een belofte die wonderlijk genoeg blijft openstaan.

Het is deze diepe betekenislaag die in deze cantate wordt aangeroerd. Een stil weten legt zich in rustige akkoorden neer tussen de vele vlugge noten van het openingskoor, als precies in het midden de regel klinkt: ‘Gottes Wille soll mich stillen’.

De alt probeert in haar aria (3) te doen waartoe zij zich aan het eind van het voorafgaande arioso weet uitgenodigd: ‘Met alles wat ik heb en ben, vertrouw ik me toe…’ Ik vertrouw me toe — niet aan een onberekenbaar opperwezen, maar aan de wil van een God van wie de goedheid ondubbelzinnig zichtbaar wordt in de gestalte en de woorden van Jezus. In het evangelie dat aan deze cantate ten grondslag ligt (Matteüs 8:1-13), wordt dat suggestief als volgt verwoord:


‘Kijk! een melaatse komt naderbij, hij valt voor Jezus neer en zegt: “Heer, als u wilt, kunt u mij reinigen.” Dan strekt Jezus zijn hand uit en raakt hem aan, hij zegt: “Ik wil het, word rein.”’


In de bijbelse literatuur is een melaatse de verbeelding bij uitstek van geschonden leven. Het verfomfaaide bestaan wordt zuiver betrokken op de wil van God, die in het gebaar van Jezus’ aanraking en in het ja uit zijn mond niet anders dan positief kan worden uitgelegd. ‘Mein Jesus will es tun’, zingt de sopraan in haar aria (5) nadrukkelijk. De muziek danst vanwege dit weten, dit ja dat dieper en verder en gaat dan alles wat ons kan tegenzitten en verbijsteren. De muziek danst, maar komt ook tot rust als gezongen wordt over het zachte en stille rusten in de armen van Christus. ‘Ruhn’, rusten — even valt alles stil.

‘Alles nur nach Gottes Willen’ — een fijnzinnige cantate zonder goedkope oplossingen, die uitnodigt te vertrouwen dat aan ons leven een helder ‘ja’ ten grondslag ligt en dat ons diepste verlangen al antwoord heeft gekregen: ‘Ich wills tun!’, ‘Ik wil het!’


Henk Gols