Website Henk Gols

Cantate 62 ‘Nun komm, der Heiden Heiland' (II)

Petruskerk,
12 december 2010

1. Koor

Nun komm, der Heiden Heiland,
Der Jungfrauen Kind erkannt,
Des sich wundert alle Welt,
Gott solch Geburt ihm bestellt.

2. Aria (tenor)

Bewundert, o Menschen, dies große Geheimnis:
Der höchste Beherrscher erscheinet der Welt.
Hier werden die Schätze des Himmels entdecket,
Hier wird uns ein göttliches Manna bestellt,
O Wunder! die Keuschheit wird gar nicht beflecket.

3. Recitatief (bas)

So geht aus Gottes Herrlichkeit und Thron
Sein eingeborner Sohn.
Der Held aus Juda bricht herein,
Den Weg mit Freudigkeit zu laufen
Und uns Gefallne zu erkaufen.
O heller Glanz, o wunderbarer Segensschein!

4. Aria (bas)

Streite, siege, starker Held!
Sei vor uns im Fleische kräftig!
    Sei geschäftig,
    Das Vermögen in uns Schwachen
    Stark zu machen!

5. Recitatief (duet sopraan en alt)

Wir ehren diese HerrlichkeitUnd nahen nun zu deiner KrippenUnd preisen mit erfreuten Lippen,Was du uns zubereit’;
Die Dunkelheit verstört' uns nicht
Und sahen dein unendlich Licht.

6. Koraal

Lob sei Gott, dem Vater, g’ton,
Lob sei Gott, sein'm eingen Sohn,
Lob sei Gott, dem Heilgen Geist,
Immer und in Ewigkeit!
















Zo begint de hymne van bisschop Ambrosius van Milaan, eind 4e eeuw, in de versie zoals ze via de Middeleeuwen bewaard is gebleven. Het oorspronkelijk eerste couplet van de hymne is ergens onderweg in de tijd weggevallen. Het begon als volgt:

'Intende qui regis Israel’
‘Hoor, gij herder van Israël!’

Die woorden vormen de beginregel van een psalm die in de kerk vanouds in de periode van Advent gezongen wordt (psalm 80, in de Latijnse bijbelvertaling psalm 79). Daarmee hebben we meteen een kenmerk van de hymnen uit de vroege kerk te pakken: de voortdurende verwijzing naar bijbelse teksten. De poëzie van de hymnen is doortrokken van bijbelse beelden.

Maarten Luther heeft als augustijner monnik Ambrosius’ hymne ieder jaar opnieuw in de Advent gezongen. Als reformator wilde hij de melodie en de tekst dichterbij het volk brengen. Luthers’ bewerking wordt muzikaal gezien als een verbetering van het origineel beschouwd. De melodie is sterker geworden, de architectuur helderder (de eerste en de laatste regel identiek, de binnenste regels elkaars omkeringen). Qua tekst blijft Luther dichtbij het Latijn — zo dichtbij dat het Duits draait en wringt. En toch, ondanks of mede dankzij dat wat duistere Duits, is het lied zeer populair geworden.

Ook Bach is door Luthers bewerking van Ambrosius’ hymne gefascineerd. Hij laat het koraal horen in drie cantates (36, 61, 62) en drie orgelpreludes. In de koraalcantate van vanavond horen we de begin- en de slotstrofe van Luthers lied; de aria’s en recitatieven zijn vrije bewerkingen van de binnencoupletten.

Door al die eeuwen heeft het zich heen gezongen, dit eerste kerstlied uit de westerse christenheid, uit de tijd dat de kerk nog jong was. In de 4e eeuw was men begonnen het feest van Christus’ komst te vieren. Pasen en Pinksteren, joodse feesten, bestonden vanaf het begin van de kerk, maar Kerst kwam later. Het was een feest dat niet mikte op romantiek en vertedering. In Ambrosius’ hymne klinken de accenten uit die vroege tijd: verlossing voor heel de wijde wereld, voor de ‘heidenen’. Dat wil zeggen: de verlossing uit de dwingende spiralen waarin wij generatie na generatie, steeds weer en overal, onze fouten herhalen: van buiten wordt binnengebroken in de vicieuze cirkels waarin wij doldraaien, het licht komt al dat beklemmende heidense donker binnen. In de hymne wordt de komst van het licht in psalmtaal (psalm 19, Latijn: psalm 18) beschreven: stralend treedt de ‘zon’ naar buiten (uit de ‘kamer’ die de schoot van Maria is — zo dicht Ambrosius), als een held loopt hij zijn baan (recitatief van de bas, 3e deel van de cantate). De zegevierende gang van het licht laat zich horen in de aria van de bas (4).

Ook de kribbe die eerbiedig genaderd wordt in het duet van sopraan en alt (5) mikt niet op sentimentele vertedering. Het kleine is niet zwak maar glorieus: de kribbe is de vindplaats van het eindeloze licht dat alle donker overwint.


De cantate begint met een feestelijk openingskoor, waarin de sopranen de koraalmelodie in lange noten zingen, begeleid door de hoorn. Aan de regels die zij zingen gaan toespelingen op de koraalmelodie vooraf, eerst in de baslijn, dan via de hobo’s, vervolgens in de overige zangstemmen. En intussen stroomt de muziek maar door bij de overige instrumenten.

Hier niet de sfeer van gezellige kerstmarkten en van de kerstliedjes die klinken bij Albert Heijn en Blokker. Anders dan in het voorspelbare en oppervlakkige entertainment gaat het in de hymne en de cantate om de herkenning van dieper verlangen, om de allure van een groter komen, dat inbreekt in ons met kunstlicht opgepepte heidense duister. ‘Nun komm, der Heiden Heiland’.


Henk Gols