Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 60 ‘O Ewigkeit, du Donnerwort’ (II)

Petruskerk,
14 november 2010

Dialoog:
Vrees (alt), Hoop (tenor), Christus (bas)

1. Koraal (alt) en aria (tenor)

O Ewigkeit, du Donnerwort,
O Schwert, das durch die Seele bohrt,
O Anfang sonder Ende!
O Ewigkeit, Zeit ohne Zeit,
Ich weiß vor großer Traurigkeit
Nicht, wo ich mich hinwende
Mein ganz erschrocknes Herze bebt
Dass mir die Zung am Gaumen klebt.

    (tenor)
Herr, ich warte auf dein Heil.

2. Recitatief (alt, tenor)

    (alt)
O schwerer Gang zum letzten Kampf und Streite!

    (tenor)
Mein Beistand ist schon da,
Mein Heiland steht mir ja
Mit Trost zur Seite.

    (alt)
Die Todesangst, der letzte Schmerz
Ereilt und überfällt mein Herz
Und martert diese Glieder.

    (tenor)
Ich lege diesen Leib vor Gott zum Opfer nieder.
Ist gleich der Trübsal Feuer heiß,
Genung, es reinigt mich zu Gottes Preis.

    (alt)
Doch nun wird sich der Sünden große Schuld vor mein Gesichte stellen.

    (tenor)
Gott wird deswegen doch kein Todesurteil fällen.
Er gibt ein Ende den Versuchungsplagen,
Dass man sie kann ertragen.

3. Aria (duet alt en tenor)

    (alt)
Mein letztes Lager will mich schrecken,

    (tenor)
Mich wird des Heilands Hand bedecken,

    (alt)
Des Glaubens Schwachheit sinket fast,

    (tenor)
Mein Jesus trägt mit mir die Last.

    (alt)
Das offne Grab sieht greulich aus,

    (tenor)
Es wird mir doch ein Friedenshaus.

4. Recitatief (alt) en arioso (bas)

    (alt)
Der Tod bleibt doch der menschlichen Natur verhasst
Und reißet fast
Die Hoffnung ganz zu Boden.

    (bas)
Selig sind die Toten;

    (alt)
Ach! aber ach, wieviel Gefahr
Stellt sich der Seele dar,
Den Sterbeweg zu gehen!
Vielleicht wird ihr der Höllenrachen
Den Tod erschrecklich machen,
Wenn er sie zu verschlingen sucht;
Vielleicht ist sie bereits verflucht
Zum ewigen Verderben.

    (bas)
Selig sind die Toten, die in dem Herren sterben;

    (alt)
Wenn ich im Herren sterbe,
Ist denn die Seligkeit mein Teil und Erbe?
Der Leib wird ja der Würmer Speise!
Ja, werden meine Glieder
Zu Staub und Erde wieder,
Da ich ein Kind des Todes heiße,
So schein ich ja im Grabe an verderben.

    (bas)
Selig sind die Toten, die in dem Herren sterben, von nun an.

    (alt)
Wohlan!
Soll ich von nun an selig sein:
So stelle dich, o Hoffnung, wieder ein!
Mein Leib mag ohne Furcht im Schlafe ruhn,
Der Geist kann einen Blick in jene Freude tun.

5. Koraal

Es ist genug;
Herr, wenn es dir gefällt,So spanne mich doch aus!Mein Jesu kömmt;Nun gute Nacht, o Welt!Ich fahr ins Himmelshaus,Ich fahre sicher hin mit Frieden,Mein großer Jammer bleibt danieden.Es ist genug.

Er zijn: de stemmen in jezelf. De stem van de angst. En de hoopvolle stem. Soms klinkt de ene stem. Soms klinkt de ene stem alleen. De andere komt niet door. Je bent alleen maar angstig, je beeft, je leven is één grote schreeuwende vraag, wat je voor ogen hebt is alleen maar vreselijk. Soms ook zijn de beide stemmen met elkaar in gesprek, tussen hoop en vrees gaat het heen en weer. Welke stem voert de boventoon, met welke stem besluit de discussie in je hoofd en hart? Opent zich perspectief en weet je dat vast te houden?

In de cantate van vanavond komt de dialoog tussen de beide stemmen van hoop en vrees niet zomaar tot een oplossing:

In het eerste recitatief (2) klinken de stemmen van vrees en hoop los na elkaar. De alt vertegenwoordigt het moeizame, de angst, de pijn, de innerlijke strijd, de confrontatie met eigen falen. Dat het zéér doet maakt de alt in het midden van het recitatief hoorbaar in een opeenvolging van schrijnende halve noten (een chromatisch melisma), als ze zingt dat de doodsangst, de pijn de ledematen ‘martert’ (martelt). De angst vertaalt zich in fysieke, folterende pijn, tot in je leden wringt het bestaan. De hoopvolle stem probeert daar iets tegenover te stellen. Het is niet alleen maar marteling, zingt hij, er is ook hulp, troost, het gaat ergens naartoe, het is ergens goed voor, het moeilijke houdt een keer op en daarom is het te verdragen. ‘Ertragen’ (verdragen) is het laatste woord van het recitatief en opnieuw klinkt melismatisch een poging tot antwoord op het martelende van de angst.

De hoop echter neemt de angst niet weg.

Wat volgt (3) is een aria van alt en tenor: drie blokjes waarin steeds de alt de bange vraag stelt, vervolgens de hoop zich meldt en zich door de angst heen zingt en óók het laatste woord heeft. De stemmen rijmen op elkaar, vermengen zich even. Hoop en vrees komen nu dichterbij elkaar, de hoop weet de vrees te raken.

Toch neemt de hoop de angst niet weg.

Twee stemmen, die er samen niet uitkomen. Zoals in bijbelboek Job de dialoog tussen de gekwelde Job en zijn beter wetende vrienden niet tot een oplossing komt: de schreeuwende vragen vinden geen antwoord. Zoals, in het evangelie, het gesprek van de Emmaüsgangers zonder resultaat blijft: er daagt geen licht.

De oplossing komt van buiten, van een derde die zich bij ons voegt, van een stem ergens anders vandaan, uit onverwachte hoek, vanuit een andere laag dan die van de argumenten die wij hebben opgebruikt en waarin wij doldraaien. In het recitatief na de aria breekt die stem door. Tot drie keer zingt de stem, uit een andere wereld komt hij. De stem komt uit het laatste bijbelboek Openbaring, een boek waarin de zin van de geschiedenis wordt onthuld en martelaren gaan zingen. ‘Gelukkig zijn de doden, / die in de Heer sterven — / van nu af aan!’ Als bij de derde keer deze woorden volledig klinken, ontstaat de beslissende wending. ‘Van nu af aan’ wordt de hoop die de bodem was ingeslagen herwonnen. Het lijf wordt rustig en de geest slaat een blik in de vreugde.


Koraal - recitatief - aria -recitatief - koraal: evenwichtig is de cantate opgebouwd. De aria in de spil geeft echter niet de kanteling naar de vreugde. In het hart van de cantate is wél sprake van echte communicatie. Alsof waarachtige communicatie, waarbij je niet langs elkaar heen praat maar elkaar raakt, de voorwaarde is om vervolgens de oplossing van het probleem uit onverwachte hoek te kunnen ontvangen. Als de hoop ophoudt met argumenteren, als ze terugtreedt, ontstaat de ruimte waarin de stem van gene zijde zich bij stukjes en beetjes kan laten horen. De stem uit den vreemde begint geen nieuwe discussie, hij draagt geen nieuwe argumenten aan. De stem tilt het bange gesprek van hoop en vrees naar een ander niveau.

Dat andere niveau, dat optillen, laat zich aangrijpbaar horen in het slotkoraal, waarin we het bange heen en weer achter ons laten: het is genoeg geweest. In de extra verhoging, de onverwachte vier noten met drie hele toonafstanden achter elkaar, wordt een grens doorbroken. Op magistrale wijze breekt Bach door het gewone en voorspelbare heen. In de muziek wringt het zich via verbazingwekkende harmoniseringen naar een oplossing die staat als een als een huis: een huis van een andere orde, een ‘hemels’ huis. Het is genoeg!

Aan het begin van de cantate staat het openingskoor, afkomstig uit een ander gezang met een andere melodie dan het slotkoor. De alten zingen over eeuwigheid — een eeuwigheid die ons te groot is, die terneerdrukt, ons pijn doet, waar we bedroefd van worden. Plotseling schrééuwt door de eenzame woorden van dat strak gezongen koraalvers heen de stem van de tenor: ‘ Heer, ik wacht op uw heil!’ Het zijn oudtestamentische, psalmachtige woorden, die Bach lijkt te laten klinken als een protest tegen een eeuwigheid die ons verplettert. Met die protesterende en verlangende menselijke stem is de hoop al gegeven, die vragende stem zet alles in beweging: ontketent de dialoog, schept ruimte voor een antwoord, maakt dat uiteindelijk het bestaan wordt getransponeerd naar vrede. Met minder laten we ons niet afschepen. Het is genoeg!


Henk Gols