Website Henk Gols

Cantate 5 ‘Wo soll ich fliehen hin’

Petruskerk,
10 oktober 2010

1. Koor

Wo soll ich fliehen hin,
Weil ich beschweret bin
Mit viel und großen Sünden?
Wo soll ich Rettung finden?
Wenn alle Welt herkäme,
Mein Angst sie nicht wegnähme.

2. Recitatief (bas)

Der Sünden Wust hat mich nicht nur befleckt,
Er hat vielmehr den ganzen Geist bedeckt,
Gott müßte mich als unrein von sich treiben;
Doch weil ein Tropfen heilges Blut
So große Wunder tut,
Kann ich noch unverstoßen bleiben.
Die Wunden sind ein offnes Meer,
Dahin ich meine Sünden senke,
Und wenn ich mich zu diesem Strome lenke,
So macht er mich von meinen Flecken leer.

3. Aria (tenor):

Ergieße dich reichlich, du göttliche Quelle,
Ach, walle mit blutigen Strömen auf mich!
Es fühlet mein Herze die tröstliche Stunde,
Nun sinken die drückenden Lasten zu Grunde,
Es wäschet die sündlichen Flecken von sich.

4. Recitatief (alt)

Mein treuer Heiland tröstet mich,
Es sei verscharrt in seinem Grabe,
Was ich gesündigt habe;
Ist mein Verbrechen noch so groß,
Er macht mich frei und los.
Wenn Gläubige die Zuflucht bei ihm finden,
Muss Angst und Pein
Nicht mehr gefährlich sein
Und alsobald verschwinden;
Ihr Seelenschatz, ihr höchstes Gut
Ist Jesu unschätzbares Blut;
Es ist ihr Schutz vor Teufel, Tod und Sünden,
In dem sie überwinden.

5. Aria (bas)

Verstumme, Höllenheer,
Du machst mich nicht verzagt!
Ich darf dies Blut dir zeigen,
So musst du plötzlich schweigen,
Es ist in Gott gewagt.

6. Recitatief (sopraan)

Ich bin ja nur das kleinste Teil der Welt,
Und da des Blutes edler Saft
Unendlich große Kraft
Bewährt erhält,
Dass jeder Tropfen, so auch noch so klein,
Die ganze Welt kann rein
Von Sünden machen,
So lass dein Blut
Ja nicht an mir verderben,
Es komme mir zugut,
Dass ich den Himmel kann ererben.

7. Koor

Führ auch mein Herz und Sinn
Durch deinen Geist dahin,
Dass ich mög alles meiden,
Was mich und dich kann scheiden,
Und ich an deinem Leibe
Ein Gliedmaß ewig bleibe.

Hoe ga je om met je tekort? Met wat je fout hebt gedaan? Met wat je niet gelukt is? Dus met die tragische kant van het o zo verrukkelijke mens zijn? In de cantate heet dat imperfecte ‘zonde’. ‘Zonde’ is in onze tijd een besmette term, een woord om lacherig over te doen. ‘Zonde’ heeft associaties met moraliserende godsdienst, met een kerk die van bovenaf mensen aanpraatte wat wel en niet mocht. Met een benepen moraal, die het leven afknijpt en het verrukkelijk meeslepende, het creatieve en bevrijdend nieuwe onder verdenking plaatst.

In de cantate evenwel staat zonde niet voor wat je van buiten door een moralistische instantie wordt aangepraat. Zonde is hier een existentieel begrip. Het duidt daar op datgene waar we nog steeds aan lijden, alles wat ‘zonde’ van ons leven is (in déze manier van zeggen heeft het woord zijn existentiële lading behouden). Het staat voor gemiste kansen, voor wat we tot ons eigen verdriet verknoeiden, voor ontrouw aan onze roeping, voor datgene waarmee we onze ziel hebben beschadigd — veelal door een ander mens te beschadigen.

Het prachtige mensenleven wordt bedreigd door het complex dat in het middelste recitatief van de alt (4) wordt aangeduid met ‘duivel, dood en zonden’. Er is dus duidelijk sprake van overmacht, er is meer aan de hand dan een foutje dat ik zelf wel kan herstellen, ik voel me naar beneden geduwd, ik zit vol vlekken die ik er niet meer uit krijg, wat ik nooit had mogen zeggen en doen lijkt voorgoed in het systeem opgeslagen, ik red me er zelf niet meer uit en ook de heel de wereld om me heen draagt geen oplossing aan (openingskoor). Ik zou willen ontsnappen, weer helder willen denken (mijn geest is helemaal afgedekt — recitatief van de bas (2)). Het openingskoor is een bange vraag waarheen ik moet vluchten. Vluchten om aan mijn existentiële angst te ontkomen. In de muziek van het openingskoor vliegen zestiende noten alle kanten op.


Op de vraag van het openingskoor presenteert zich in het vervolg van de cantate de oplossing. Die komt uit een klein hoekje: een druppel heilig bloed. De druppel valt in het recitatief na het openingskoor en het recitatief vóór het slotkoor.

De cantate is mooi symmetrisch opgebouwd: openings- en slotkoor aan de uiteinden, dan naar binnen toe een recitatief, vervolgens een aria, en precies in het midden een recitatief dat de spil van de cantate vormt. In de buitenste recitatieven (2 en 6) die kleine druppel als een krachtig werkzame vlekkenoplosser, alsmede een bescherming tegen nieuwe vlekken.

De druppel is het bloed van Christus. De oplossing van mijn tekort, van mijn depressiviteit en angst ligt buiten mij, hij wordt mij aangeboden.

De ene druppel blijkt een microkosmos: een zee, waarin mijn zonden verdrinken (2 en 3). Ik zelf verdrink niet meer. De druppel is een sprankelende bron, waarin ik word gereinigd. In de aria van de tenor (3) bruist en borrelt het.

Van buiten wordt mij deze oplossing aangereikt. In de christelijke traditie van Bach red je het alleen niet. Je hebt de hulp van een ander nodig. Die ander neemt mijn zonden weg. Het graf van Christus is de plek waar mijn zonden liggen begraven. Ze horen niet meer bij mij. Ik ontdek dat ik niet samenval met wat er eerder bij mij is mis gegaan.

Zo zíngt mijn leven weer. In het middelste recitatief van de alt (4) wordt troostend de koraalmelodie hoorbaar (hobo). Ik dúrf weer: hoor hoe moedig, overtuigd, feestelijk (met trompet!) de aria van de bas klinkt (5).


Het thema van de zonden lijkt in eerste instantie nogal tobberig. Maar de cantate ontwikkelt zich na dat middelste recitatief in feestelijke richting. De cantate lijkt een protest tegen de voorstelling dat het menselijk bestaan onvermijdelijk getekend is door angst en pijn (4), en tegen het idee dat wat er tot nu toe wereldwijd is misgegaan onherstelbaar is. Het menselijk leven is geen afgang, geen hel, maar, zo zingt de sopraan in het laatste recitatief (6), het loopt uit op ‘hemel’. En met dat oude beeldende woord wordt uitgedrukt dat het laatste dat over ons leven te zeggen valt is dat het hóóg wordt opgetild.

Beslissend dus is de figuur van Christus, gewond en bloedend. Hij komt van buiten naar mij toe. Maar wij worden met hem gelinkt. Het slotkoraal zingt dat wij een stuk van zijn lijf zijn. ‘Wo soll ich fliehen hin?’ Vluchten blijkt niet nodig, ons leven is, met al z’n tekort, geborgen.

Allicht zijn wij mensen die dat niet zomaar geloven. Eventjes wel misschien, een cantate lang. Hoewel: alles wat echt zingt, houdt niet meer op. Als we niet oppassen weeft Bach de koraalmelodie niet alleen door het middelste recitatief, maar door het script van ons eigen leven. Er druppelt iets ons leven binnen waardoor nare vlekken mogelijk verdwijnen.


De cantate is gebaseerd op het gelijknamige koraal van Johann Heermann, 1630. Eerste uitvoering: Leipzig, 19e zondag na Trinitatis, 15 oktober 1724.


Henk Gols


Een meer recente bespreking van deze cantate