Website Henk Gols

Cantate 3 'Ach Gott, wie manches Herzeleid'

Petruskerk, 9 januari 2011

1. Koraal (koor)

Ach Gott, wie manches Herzeleid
Begegnet mir zu dieser Zeit!
Der schmale Weg ist trübsalvoll,
Den ich zum Himmel wandern soll.

2. Recitatief / koraal (koor; tenor, alt, sopraan, bas)

Wie schwerlich lässt sich Fleisch und Blut

    (tenor)
So nur nach Irdischem und Eitlem trachtet
Und weder Gott noch Himmel achtet,
Zwingen zu dem ewigen Gut!

    (alt)
Da du, o Jesu, nun mein alles bist,
Und doch mein Fleisch so widerspenstig ist.
Wo soll ich mich denn wenden hin?

    (sopraan)
Das Fleisch ist schwach, doch will der Geist;
So hilf du mir, der du mein Herze weißt.
Zu dir, o Jesu, steht mein Sinn.

    (bas)
Wer deinem Rat und deiner Hilfe traut,
Der hat wohl nie auf falschen Grund gebaut,
Da du der ganzen Welt zum Trost gekommen,
Und unser Fleisch an dich genommen,
So rettet uns dein Sterben
Vom endlichen Verderben.
Drum schmecke doch ein gläubiges Gemüte
Des Heilands Freundlichkeit und Güte.

3. Aria (bas)

Empfind ich Höllenangst und Pein,
Doch muss beständig in dem Herzen
Ein rechter Freudenhimmel sein.
Ich darf nur Jesu Namen nennen,
Der kann auch unermessne Schmerzen
Als einen leichten Nebel trennen.

4. Recitatief (tenor)

Es mag mir Leib und Geist verschmachten,
Bist du, o Jesu, mein
Und ich bin dein,
Will ichs nicht achten.
Dein treuer Mund
Und dein unendlich Lieben,
Das unverändert stets geblieben,
Erhält mir noch den ersten Bund,
Der meine Brust mit Freudigkeit erfüllet
Und auch des Todes Furcht, des Grabes Schrecken stillet.
Fällt Not und Mangel gleich von allen Seiten ein,
Mein Jesus wird mein Schatz und Reichtum sein.

5. Aria (duet sopraan en alt)

Wenn Sorgen auf mich dringen,
Will ich in Freudigkeit
Zu meinem Jesu singen.
    Mein Kreuz hilft Jesus tragen,
    Drum will ich gläubig sagen:
    Es dient zum besten allezeit.

6. Slotkoraal

Erhalt mein Herz im Glauben rein,
So leb und sterb ich dir allein.
Jesu, mein Trost, hör mein Begier,
O mein Heiland, wär ich bei dir.

‘In de literatuur over de cantates komt Ach Gott, wie manches Herzeleid er menigmaal bekaaid vanaf. Zo zegt Murray Young: “This cantata is not especially noteworthy.” Ten onrechte. Het sombere openingskoor geeft ons de beste Bach, en het duet is één van de allermooiste stukken die Bach voor twee stemmen schreef.’

Aldus Maarten ’t Hart over deze cantate.

Een prachtig maar somber openingskoor. Met bewegingen van droeve halve tonen naar beneden, met zuchtende muzikale figuren (‘Seufzer’), die verderop in de cantate opnieuw te horen zijn de aria van de bas (3).

Het is niet alleen maar kommer en kwel. De bas zingt in zijn aria weliswaar uitermate smartelijk de woorden Höllenangst und Pein, maar op beweeglijke wijze wordt de vreugde onderstreept in het woordje Freudenhimmel. In het recitatief van de tenor (4) verheft de Freudigkeit zich hóóg boven al het smachten. En met grote kracht laat diezelfde Freudigkeit zich horen in het duet van sopraan en alt (5).

Maar opmerkelijk is wel de overmaat aan klagelijke tonen en bekommerde woorden. En dat op de zondag van de bruiloft te Kana (Johannes 2:1-11). De messias is geboren (25 december, Kerstmis), hij is stralend verschenen (6 januari, Epifanie), hij komt binnen in het tekort van mensen, waar het feest van het leven mislukt — en kijk: in het evangelie slaat het gebrek om in overvloed. Allerbeste wijn wordt royaal geschonken en er is genoeg voor alle eeuwen.

Dat evangelieverhaal wordt gelezen in de kerk van Leipzig op de tweede zondag na Epifanie, op 14 januari 1725 — en dan komt Bach met deze cantate vol klagelijke motieven. De cantate is gebouwd uit een koraal van de hand van de 16e eeuwse cantor en predikant Martin Moller. Het koraal van Moller en dus ook de cantate ademen weliswaar vertrouwen, maar beklemtonen toch vooral de tragiek van de menselijke zwakheid. Jezus is troostend aanwezig, zijn naam alleen al noemen betekent dat ook onmetelijke pijn even als een nevel opzij wordt geschoven (3), zijn liefde maakt dat mijn binnenste zich met vreugde vult (4). Maar het leven blijft een kruis. Zeker — Jezus, die vol vriendelijkheid en goedheid is, is de garant dat mijn leven bij God voltooid wordt: zijn sterven bewerkt dat mijn leven niet bedorven eindigt (2). Maar de levenstocht blijft moeizaam: het vlees blijft zwak, ik blijf een vat vol tegenstrijdigheden, en nood en gebrek zijn een blijvend gegeven.

Ongetwijfeld beantwoorden koraal en cantate aan de realiteit van die dagen: een bijna derde-wereldachtig scenario van ziekte, epidemieën, sociale spanningen en gewelddadige conflicten. De dood meldde zich alom. En de kerk was verdeeld en vol misbruik. Het gelovige leven veranderde dat niet. Jezus vernieuwde dat leven niet. Maar hij deelde dat moeilijke leven met je, hij keek je vol liefde aan, hij hielp je je kruis te dragen. Hij gaf aan al dat negatieve een wending, een verandering van perspectief, zodanig dat het moeilijke nog ergens goed voor leek.

Dat is wél een andere toon dan die van het evangelieverhaal: daarin namelijk verandert het bestaan, het feest stroomt het leven binnen en maakt dat dit leven van mij voorgoed raakt aan een nieuwe werkelijkheid. In  het evangelie is het nieuwe de realiteit, het oude gaat er als een boze droom voorbij, ik schud het af, uit de droevige figuur van mijn leven kom ik eindelijk los.

Koraal en cantatetekst durven zover niet te gaan. De figuur van Jezus lijkt voor het alledaagse leven meer troost dan echte bevrijding te betekenen. Maar Bach, in zijn muziek, overschrijdt telkens weer de bange grenzen van een al te bekommerd en beklemmend christendom. Overtuigend doet hij dat in het zeldzaam schone duet (5): daarin zingt niet een zorgelijk individu, maar een sterk en blijmoedig sámen. Alsof wij elkaar al zingend uittillen boven kommer en kwel. Bach componeert een hoopvol lied tot Jezus, dat in zijn rijkdom, zijn kracht, wel degelijk staat voor feestelijkheid die ons haperende en gewonde leven transformeert.


Henk Gols