Website Henk Gols

Cantate 22 ‘Jesus nahm zu sich die Zwölfe’

Petruskerk, 13 maart 2011

1. Arioso (tenor, bas) en koor

    (tenor)
Jesus nahm zu sich die Zwölfe und sprach:

    (bas)
Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem, und es wird alles vollendet werden, das geschrieben ist von des Menschen Sohn.

    (koor)
Sie aber vernahmen der keines und wussten nicht, was das gesaget war.

2. Aria (alt)

Mein Jesu, ziehe mich nach dir,
Ich bin bereit, ich will von hier
Und nach Jerusalem zu deinen Leiden gehn.
Wohl mir, wenn ich die Wichtigkeit
Von dieser Leid- und Sterbenszeit
Zu meinem Troste kann durchgehends wohl verstehn!

3. Recitatief (bas)

Mein Jesu, ziehe mich, so werd ich laufen,
Denn Fleisch und Blut verstehet ganz und gar,
Nebst deinen Jüngern nicht, was das gesaget war.
Es sehnt sich nach der Welt und nach dem größten Haufen;
Sie wollen beiderseits, wenn du verkläret bist,
Zwar eine feste Burg auf Tabors Berge bauen;
Hingegen Golgatha, so voller Leiden ist,
In deiner Niedrigkeit mit keinem Auge schauen.
Ach! kreuzige bei mir in der verderbten Brust
Zuvörderst diese Welt und die verbotne Lust,
So werd ich, was du sagst, vollkommen wohl verstehen
Und nach Jerusalem mit tausend Freuden gehen.

4. Aria (tenor)

Mein alles in allem, mein ewiges Gut,
Verbessre das Herze, verändre den Mut;
Schlag alles darnieder,
Was dieser Entsagung des Fleisches zuwider!
Doch wenn ich nun geistlich ertötet da bin,
So ziehe mich nach dir in Friede dahin!

5. Koraal

Ertöt uns durch dein Güte,
Erweck uns durch dein Gnad;Den alten Menschen kränke,Dass der neu' leben magWohl hie auf dieser Erden,Den Sinn und all BegehrenUnd G'danken hab'n zu dir.

Bach was tweede keus. Hij solliciteerde naar de functie van cantor van de Thomaskirche te Leipzig, maar wist niet te overtuigen. Het gemeentebestuur van Leipzig gaf de voorkeur aan Georg Philipp Telemann. Het was dat Telemann koos voor Hamburg, anders hadden de Thomaskirche en Bach verder nooit met elkaar te maken gehad.

Op basis van de tekst die hem werd toegestuurd (mogelijk van de hand van de burgemeester van Leipzig), componeerde Bach cantate nr. 22 als proeve van bekwaamheid.

De cantate is geschreven voor de laatste zondag vóór de Vasten. Volgens de middeleeuwse kalender van de kerk, die in de lutherse traditie bewaard bleef, werd dan het evangelie gelezen waarin Jezus zegt: ‘Zie, wij gaan op naar Jeruzalem’ (Lucas 18:31-43). Zodoende werd al op de zondag vóór Aswoensdag de blik gericht en de pelgrimage voorbereid naar de stad waar het straks Pasen zou zijn.

Jezus beschrijft de opgang naar Jeruzalem op een manier dat je aan een afgang denkt. Zijn woorden blijken dan ook volslagen duister voor zijn leerlingen. Waar hééft hij het over? Maar een blinde die langs de weg zit, gaat Jezus met open ogen volgen. Al lopend looft hij God.

Enkele markante momenten uit het evangelie voor deze zondag zijn zowel in de tekst als in de muziek van de cantate terug te vinden:

In de tekst wordt het thema van het wel of niet begrijpen verwerkt in de aria van de alt (2) en het recitatief van de bas (3).

Bach brengt in de muziek het begin en het eind van het evangeliegedeelte treffend tot uitdrukking:

Het begin (1): In het evangelie neemt Jezus zelf het initiatief tot de opgang naar Jeruzalem. Bach sluit bij dat gegeven aan en opent de cantate niet met een veelstemmig openingskoor. Het is de ene stem die klinkt, de ene figuur die vooropgaat. De velen volgen in tweede instantie — en dat in een sfeer van grote verwarring.

‘Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem’: het opklimmen is duidelijk hoorbaar in hobo- en bassolo. Het is een aarzelend opklimmen, met vallen en opstaan. Daarentegen volgt de continuo bas juist een lijn naar beneden.

Na Jezus’ woorden zingen de stemmen van het koor in een fuga verward door elkaar: een overtuigende muzikale vertolking van het totale onbegrip van de leerlingen, het absoluut niet weten wat er gezegd wordt: ‘was das gesaget war’ — en hoor hoe het hakkelt, het war, was, das!

Het eind van de cantate (5) is de laatste strofe van een koraal waarvan de tekst geschreven is door Elisabeth Creuziger († ca. 1535), de eerste vrouwelijke dichter uit de Reformatie. Bach maakt er in de muziek iets feestelijks van; de hobo en de violen slingeren vrolijk rond de melodie. Het is gewaagd wat Bach doet in zijn proefstuk: deze dansende muziek, nu het richting de Vasten gaat! Zo echter sluit hij helemaal aan bij de lofzang van de blinde die met open ogen Jezus volgt.

Tussen begin en eind staan een aria, een recitatief en opnieuw een aria. In alle drie klinkt als een refrein: ‘ziehe mich’. Mijn Jezus, trek me naar jou toe! (2); mijn Jezus, trek aan me, dan zal ik lopen! (3); trek me in vrede naar jou toe! (4). Ik begrijp en loop niet uit mezelf. Ik ben wel bereid om met jou mee te gaan, je bent mijn alles, maar jouw weg gaat tegen vlees en bloed in. Er moet iets in mij dood, een oude mens die zichzelf wil handhaven en uitleven. Die er niet aan wil dat je leeft door te sterven, door af te zien.

Jezus, trek aan me, trek me naar jou toe. Dan kan ik lopen — en hoor hoe dat lopen virtuoos wordt vertolkt in de eerste regel van het recitatief van de bas (3); en hoe in de laatste regel ervan de duizend vreugden van de weg naar Jeruzalem levendig tot klinken komen, in een zich ontwikkelend wandeltempo.

In het recitatief, midden in de cantate, doemen twee bergen op: de berg Tabor en Golgotha. De Tabor is de berg van de verheerlijking. Voordat Jezus’ opgang naar Jeruzalem begint, licht stralend zijn gestalte op: een voortijdig paasmoment. Golgotha is de nedere plek van het lijden. Beide bergen zijn verbonden. Maar dat de berg van de verheerlijking niet los verkrijgbaar is, zien wij liever niet: ‘mit keinem Auge.’

Toch, ondanks ons onbegrip, ons onvermogen om te zien, het natuurlijke verzet in ons tegen pijn en lijden, zet zich in de cantate, die in de sfeer van het lijden begint, de dansende toon van de vreugde door (aria van de tenor, slotkoraal). Het zal straks Pasen zijn — ons ondanks en dankzij hem met wie de cantate begint en eindigt: Jezus, die zijn leerlingen bij zich neemt. Bij zich — en ònze zinnen en verlangens en gedachten zijn bij jou, eindigt het slotkoraal.

Tja, Jezus… Zonder Jezus was er in elk geval niet zó’n Bach geweest, en geen cantate 22, en geen Petruskerk, en ook niet deze avond: 13 maart 2011 na Christus.


De cantate werd voor het eerst uitgevoerd op zondag 7 februari 1723.


Henk Gols