Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 113 'Herr Jesu Christ, du höchstes Gut’

Petruskerk, 10 april 2011

1. Koraal

Herr Jesu Christ, du höchstes Gut,
Du Brunnquell aller Gnaden,
Sieh doch, wie ich in meinem Mut
Mit Schmerzen bin beladen
Und in mir hab der Pfeile viel,
Die im Gewissen ohne Ziel
Mich armen Sünder drücken.

2. Koraal (alt)

Erbarm dich mein in solcher Last,
Nimm sie aus meinem Herzen,
Dieweil du sie gebüßet hast
Am Holz mit Todesschmerzen,
Auf dass ich nicht für großem Weh
In meinen Sünden untergeh,
Noch ewiglich verzage.

3. Aria (bas)

Fürwahr, wenn mir das kömmet ein,
Dass ich nicht recht vor Gott gewandelt
Und täglich wider ihn misshandelt,
So quält mich Zittern, Furcht und Pein.
Ich weiß, dass mir das Herze bräche,
Wenn mir dein Wort nicht Trost verspräche.

4. Koraal en recitatief (bas)

Jedoch dein heilsam Wort, das macht
Mit seinem süßen Singen,
Dass meine Brust,
Der vormals lauter Angst bewusst,
Sich wieder kräftig kann erquicken.
Das jammervolle Herz
Empfindet nun nach tränenreichem Schmerz
Den hellen Schein von Jesu Gnadenblicken;
Sein Wort hat mir so vielen Trost gebracht,
Dass mir das Herze wieder lacht,
Als wenn's beginnt zu springen.
Wie wohl ist meiner Seelen!
Das zagende Gewissen kann mich nicht länger quälen,
Dieweil Gotts alle Gnad verheißt,
Hiernächst die Gläubigen und Frommen
Mit Himmelsmanna speist,
Wenn wir nur mit zerknirschtem Geist
Zu unserm Jesu kommen.

5. Aria (tenor)

Jesus nimmt die Sünder an:
Süßes Wort voll Trost und Leben!
    Er schenkt die wahre Seelenruh
    Und rufet jedem tröstlich zu:
    Dein Sünd ist dir vergeben.

6. Recitatief (tenor)

Der Heiland nimmt die Sünder an:
Wie lieblich klingt das Wort in meinen Ohren!
Es ruft: Kommt her zu mir,
Die ihr mühselig und beladen,
Kommt her zum Brunnquell aller Gnaden,
Ich hab euch mir zu Freunden auserkoren!
Auf dieses Wort will ich zu dir
Wie der bußfertge Zöllner treten
Und mit demütgem Geist ‘Gott, sei mir gnädig!’ beten.
Ach, tröste meinen blöden Mut
Und mache mich durch dein vergossnes Blut
Von allen Sünden rein,
So werd ich auch wie David und Manasse,
Wenn ich dabei
Dich stets in Lieb und Treu
Mit meinem Glaubensarm umfasse,
Hinfort ein Kind des Himmels sein.

7. Aria (duet sopraan en alt)

Ach Herr, mein Gott, vergib mir's doch,
Womit ich deinen Zorn erreget,
Zerbrich das schwere Sündenjoch,
Das mir der Satan auferleget,
Dass sich mein Herz zufriedengebe
Und dir zum Preis und Ruhm hinfort
Nach deinem Wort
In kindlichem Gehorsam lebe.

8. Koraal

Stärk mich mit deinem Freudengeist,
Heil mich mit deinen Wunden,
Wasch mich mit deinem Todesschweiß
In meiner letzten Stunden;
Und nimm mich einst, wenn dir's gefällt,
In wahrem Glauben von der Welt
Zu deinen Auserwählten!

Wat is het midden van je leven? Stabiel is het leven nooit, het gaat alle kanten op, maar toch kan er een midden zijn waarnaar je telkens terugkeert, een rustig gegeven te midden van alle woelingen.

In de cantate van vanavond is er zo’n midden. Een zeker weten. Het midden straalt van kracht en blijdschap. Zo straalt het niet in heel de cantate. Het begin van de cantate is een vragende weg naar dat midden toe. En voorbij het midden begint het vragen opnieuw. Het vragen is smartelijk van toon, maar toch niet zonder verwachting, niet zonder vertrouwen, niet zonder het besef dat er een oplossing is. In het midden echter wordt een grens overschreden: een verhoopte bron wordt aangeboord en stroomt uit.

Het blijde midden in de cantate wordt gevormd door de aria van de tenor (5): ‘Jesus nimmt die Sünder an’. Het spreekt niet vanzelf dat u als hedendaags mens van zo’n frase meteen enthousiast wordt. Maar kijkt u goed naar de tekst van de aria, dan ziet u het daarin gaat om totale acceptatie: je wordt aanvaard zoals je bent, met al je falen, met al je tekort. Dat is een ‘zoet woord vol troost en leven’. Het schenkt diep van binnen rust: de ware Seelenruh wordt in de muziek heel rustig neergelegd, in een context van vreugde, die sprankelt in de schitterende virtuoze fluitpartij.

Hoewel de taal van de cantate gedateerd is, valt te herkennen wat van alle tijden is: het zoeken naar bevestiging; dat jij met al je gestumper, met alle fouten die je gemaakt hebt, de last die door eigen toedoen op je drukt, mag horen dat het o.k. is. En dat het juk dat op je drukte van je wordt afgenomen.


De cantate is gebaseerd op een luthers kerklied, het gelijknamige koraal van Bartholomäus Ringwaldt uit de eerste eeuw van de Reformatie (1588). Meer dan gebruikelijk in Bach’s koraalcantates drukt het koraal zijn stempel op het geheel: tekst en melodie van het oorspronkelijke koraal melden zich niet alleen zoals gewoonlijk aan het begin en eind, maar zingen herkenbaar door heel de cantate heen. In het midden echter, in de vreugdevolle aria van de tenor (5) en in het recitatief erna (6) veroorloven de tekstdichter en de componist zich grotere vrijheid. In het midden van de cantate wordt het koraal opengetrokken om de bron te laten stromen waarvan de openingsstrofe (1) al spreekt: de Brunquell aller Gnaden.

De cantate is gemaakt voor de zondag waarop in de lutherse traditie het evangelie gelezen wordt met de gelijkenis over de farizeeër die God dankt dat hij o.k. is en de tollenaar die zichzelf plaatst in de hoek van het niet-o.k. zijn (Lucas 18:9-14 op de 11e zondag na Trinitatis). In het recitatief van de tenor (6) is de tollenaar hoorbaar aanwezig in de uitroep ‘God, wees mij genadig!’ Twee andere boetvaardige bijbelse figuren worden met name genoemd: de koningen David en Manasse (6). David gaat er met de vrouw van een ander vandoor jaagt haar echtgenoot de dood in (2 Samuel 11 en 12); Manasse brengt zijn joodse godsdienstige traditie zo modieus bij de tijd dat het voortbestaan ervan op het spel staat (2 Kronieken 33:1-13). Beide koningen buigen diep, erkennen schuld en worden gerehabiliteerd. Ook als je extreem in de fout bent gegaan en voor groot onheil verantwoordelijk bent, blijft de bron stromen die vol genade is. Je hoeft niet blijvend gebukt te gaan. Wie eens steelt, is niet altijd een dief. Je bent méér dan wat er misging in het verleden. In de taal van de cantate mag je een ‘kind van de hemel’ zijn — en hemel staat dan voor de ongekende mogelijkheid die vóór je ligt en die je om niet wordt aangeboden. Een dergelijke volledige acceptatie en herkansing blijft een vreugdevol gegeven, in bijbelse tijden zo goed als voor Bach en voor ons die nu leven. Let op: de bron sprankelt bij de uitvoering op deze avond net zo als eeuwen geleden (20 augustus 1724): we stuiten in de cantates telkens weer op iets ouds dat altijd nieuw is.


Henk Gols