Website Henk Gols

Cantate 78 'Jesu, der du meine Seele’

Petruskerk,
13 september 2009

1. Openingskoor

Jesu, der du meine Seele
Hast durch deinen bittern Tod
Aus des Teufels finstern Höhle
Und der schweren Seelennot
Kräftiglich herausgerissen
Und mich solches lassen wissen
Durch dein angenehmes Wort,
Sei doch itzt, o Gott, mein Hort!


2. Aria (duet sopraan en alt)

Wir eilen mit schwachen, doch emsigen Schritten,
O Jesu, o Meister, zu helfen zu dir.
Du suchest die Kranken und Irrenden treulich.
Ach höre, wie wir
Die Stimmen erheben, um Hülfe zu bitten!
Es sei uns dein gnädiges Antlitz erfreulich!


3. Recitatief (tenor)

Ach! ich bin ein Kind der Sünden,
Ach! ich irre weit und breit.
Der Sünden Aussatz, so an mir zu finden,
Verlässt mich nicht in dieser Sterblichkeit.
Mein Wille trachtet nur nach Bösen.
Der Geist zwar spricht: ach! wer wird mich erlösen?
Aber Fleisch und Blut zu zwingen
Und das Gute zu vollbringen,
Ist über alle meine Kraft.
Will ich den Schaden nicht verhehlen,
So kann ich nicht, wie oft ich fehle, zählen.
Drum nehm ich nun der Sünden Schmerz und Pein
Und meiner Sorgen Bürde,
So mir sonst unerträglich würde,
Ich liefre sie dir, Jesu, seufzend ein.
Rechne nicht die Missetat,
Die dich, Herr, erzürnet hat!


4. Aria (tenor)

Das Blut, so meine Schuld durchstreicht,
Macht mir das Herze wieder leicht
Und spricht mich frei.
Ruft mich der Höllen Heer zum Streite,
So stehet Jesus mir zur Seite,
Dass ich beherzt und sieghaft sei.


5. Recitatief (bas)

Die Wunden, Nägel, Kron und Grab,
Die Schläge, so man dort dem Heiland gab,
Sind ihm nunmehro Siegeszeichen
Und können mir verneute Kräfte reichen.
Wenn ein erschreckliches Gericht
Den Fluch vor die Verdammten spricht,
So kehrst du ihn in Segen.
Mich kann kein Schmerz und keine Pein bewegen,
Weil sie mein Heiland kennt;
Und da dein Herz vor mich in Liebe brennt,
So lege ich hinwieder
Das meine vor dich nieder.
Dies mein Herz, mit Leid vermenget,
So dein teures Blut besprenget,
So am Kreuz vergossen ist,
Geb ich dir, Herr Jesu Christ.


6. Aria (bas)

Nun du wirst mein Gewissen stillen,
So wider mich um Rache schreit,
Ja, deine Treue wird's erfüllen,
Weil mir dein Wort die Hoffnung beut.
Wenn Christen an dich glauben,
Wird sie kein Feind in Ewigkeit
Aus deinen Händen rauben.


7. Koraal

Herr, ich glaube, hilf mir Schwachen,
Laß mich ja verzagen nicht;
Du, du kannst mich stärker machen,
Wenn mich Sünd und Tod anficht.
Deiner Güte will ich trauen,
Bis ich fröhlich werde schauen
Dich, Herr Jesu, nach dem Streit
In der süßen Ewigkeit.

Met enige aarzeling begin ik de tekst en uitleg bij deze cantate. Met enige aarzeling, omdat de muziek zo groot is, zo complex, zo hoog en diep. Kenners als bijvoorbeeld Eduard van Hengel en de onlangs overleden Gert Oost kunnen u beter dan ik inwijden in de muzikale geheimen van deze cantate. Eduard van Hengel doet dat via zijn website, Gert Oost via zijn prachtige boek Aan de hand van Bach. Tekst en uitleg bij een jaargang Bachcantates (Boekencentrum / Skandalon, 2006). Beiden voeren u kundig binnen in het magistrale bouwwerk van het openingskoor. Talloze malen kun je het beluisteren en telkens zul je weer iets nieuws ontdekken. De sopranen zingen de melodie van het koraal dat aan deze cantate ten grondslag ligt. Elke nieuwe koraalregel wordt ingeleid door telkens weer een ander muzikaal motief, gezongen door alten en tenoren en gespeeld door de strijkers en blazers. De basisstructuur van het openingskoor wordt gevormd door dalende stappen van een halve noot, de dramatische uitbeelding van lijden en dood. Dit zogenaamde lamento-motief wordt echter óók omgekeerd, de gang naar beneden wordt óók gerelativeerd. Want het openingskoor is niet zwaar en triest. Het lamento beweegt op het ritme van de sarabande, een langzame Spaanse dáns! Het motief van dalende noten komt maar liefst 27 keer terug, voornamelijk in de baslijn van koor en/of continuo. Ingenieus verbindt zich die voortdurende thematische herhaling met de vorm van het koraal. De cantate opent met van alles door elkaar, met muziek vol lagen, een weefsel waarin verschillende structuren en motieven verborgen zitten.

Complex is de muziek. Ze correspondeert met de complexiteit van het menselijke bestaan. Dat bestaan speelt zich af bij een afgrond, waarin je zomaar kunt verdwijnen. Menselijk leven is bedreigd leven. Het is getekend door het tekort. Bach en zijn tijdgenoten zijn zich van het menselijk tekort zeer bewust. Het mensbeeld is niet optimistisch. De mens is melaats (beeld uit het lutherse evangelie voor deze zondag, Lucas 17:11-17), zijn mogelijkheden aangetast, zijn wil is niet vanzelf zuiver. Wij falen en lijken niet onder een doem uit te komen. We zijn niet zomaar gelukkig, leven is een gevecht, waarbij we dreigen te verliezen. Kijken we van enige afstand naar ons leven, dan blijkt het onder de maat. Zonde is het wat we van het leven maken. Het oordeel over wat we presteren slaat door naar het negatieve. Existentiële pijn en loodzware ballast worden in deze cantate uitgedrukt. En toch is het geen sombere cantate. Het dánst. In hethet duet van sopraan en alt (2)beweegt het zelfs uitermate lichtvoetig.

De grote muzikale sprongen in het recitatief van de tenor (3) brengen heftig de menselijke vertwijfeling tot uitdrukking. Maar in de laatste regels wordt de last ingeleverd, met een zucht wordt al het zware bij Jezus gedeponeerd.

De grote sprongen komen terug in het recitatief van de bas (5). Daarin gaat het over de wonden van Christus, de spijkers, de doornenkroon, de slagen, het graf. Over wat wij verschrikkelijk mis hebben gedaan. Maar gaandeweg in het recitatief keert zich iets, vloek gaat over in zegen. Het negatieve, het zwarte kantelt naar het licht. In de laatste vier regels van het recitatief is voor wie goed luisteren de koraalmelodie weer te horen: een adembenemend, troostend slot-andante.

Uit de spiraal van negativiteit worden wij, om met het openingskoor te spreken, ‘kräftlichlich herausgerissen’. We worden er krachtig uit weggetrokken. Zo kunnen we háástig op pad (2) — naar Christus, die voor Bach en zijn mede-lutheranen het keerpunt betekent. Christus is een vorm die klaarligt: een genadige figuur waarin mijn tekort past. Ik kan mijn last, mijn pijn, in die figuur neerleggen. Christus is degene die mij zoekt en mijn noodlottige verlamming doorbreekt. Ik ren hem tegemoet die in grote trouw ‘zoekt wie ziek zijn en ronddolen’.

Ik hoef dus niet mijzelf te transformeren. Ik merk ook dat me dat niet lukt. Het omslagpunt is gegeven met die christusfiguur. De keer ten goede is niet mijn prestatie. Het keert ten goede als ik ontvang, als ik laat binnenkomen wat mij van buitenaf geschonken wordt. Ik hoest het zelf niet op, het ligt voor me klaar. Of ik het red is geen dubieuze kwestie meer, de beslissing is al gevallen. ‘Geloven’ betekent daarop vertrouwen. Dit gelovige vertrouwen is voor Bach en zijn geloofsgenoten essentieel.

Troostend weeft zich het licht door ons duister. Er is een beweging naar ons toe, die aan ons de dans ontlokt. Geloofstaal wordt tot pure dansmuziek.

Zo wordt het in deze dramatische cantate verklankt. Een cantate, gebouwd uit een koraal van de Noord-Duitser Johann Rist (1607-1667). Rist was predikant. Maar hij had ook wiskunde, plantkunde, chemie en medicijnen gestudeerd. Hij was pastor en arts. De tuin van zijn pastorie stond vol geurende, geneeskrachtige kruiden. Hij schreef literatuur. Hij dichtte. Hij dichtte ook het koraal ‘Jesu, der du meine Seele’, 12 coupletten, waarvan Bach het eerste en het laatste integraal voor zijn cantate gebruikt. Losse fragmenten uit andere coupletten zijn hier en daar in verdere cantate-tekst nog hoorbaar.

Het koraal begint met de naam van Jezus, die wordt aangeroepen. Het eindigt met het aanschouwen van diezelfde Jezus aan het einde van de tijd. Voor degenen die allergisch zijn geworden voor de kerkelijke Jezus, zou de muziek van Bach een nieuwe toegang kunnen vormen. In elk geval zingt de cantate van de mogelijkheid om aan onzekerheid en zelfbeklag en schuld en alles wat je van jezelf zo nodig moet te ontsnappen en aan de figuur van Christus af te lezen dat je leven niet meer stuk kan.


Henk Gols