Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 6 ‘Bleib bei uns, denn es will Abend werden’

Petruskerk, 12 april 2009

1. Koor

Bleib bei uns, denn es will Abend werden, und der Tag hat sich geneiget.


2. Aria (alt)

Hochgelobter Gottessohn,

Laß es dir nicht sein entgegen,

Dass wir itzt vor deinem Thron

Eine Bitte niederlegen:

Bleib, ach bleibe unser Licht,

Weil die Finsternis einbricht.


3. Koraal (sopraan)

Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ,

Weil es nun Abend worden ist,

Dein göttlich Wort, das helle Licht,

Laß ja bei uns auslöschen nicht.


In dieser letzt'n betrübten Zeit

Verleih uns, Herr, Beständigkeit,

Dass wir dein Wort und Sakrament

Rein b'halten bis an unser End.


4. Recitatief (bas)

Es hat die Dunkelheit

An vielen Orten überhand genommen.

Woher ist aber dieses kommen?

Bloß daher, weil sowohl die Kleinen als die Großen

Nicht in Gerechtigkeit

Vor dir, o Gott, gewandelt

Und wider ihre Christenpflicht gehandelt.

Drum hast du auch den Leuchter umgestoßen.


5. Aria (tenor)

Jesu, lass uns auf dich sehen,

Dass wir nicht

Auf den Sündenwegen gehen.

Laß das Licht

Deines Worts uns heller scheinen

Und dich jederzeit treu meinen.


6. Slotkoraal

Beweis dein Macht, Herr Jesu Christ,

Der du Herr aller Herren bist;

Beschirm dein arme Christenheit,

Dass sie dich lob in Ewigkeit.

In de tenoraria van deze cantate (5) is het hoorbaar: de stap van de pelgrim. De cantate refereert aan een pelgrimsverhaal: een verhaal uit het evangelie geschreven door Lucas, een bijbelschrijver die bij uitstek focust op onderweg zijn.

Wie is de pelgrim in dit verhaal?

Toen ik in 2007 de eerste helft van mijn pelgrimage naar Santiago de Compostela maakte, overnachtte ik kort na Pasen in de abdij van Brialmont, dichtbij Luik. Daar werd in het getijdengebed gezongen over ‘Christ, le premier pèlerin’, ‘Christus, de eerste pelgrim’. In het evangelie dat bij deze cantate hoort, is Christus de pelgrim bij uitstek.

Ook twee anderen zijn onderweg: nadat Jezus gekruisigd en begraven is, begeven ze zich naar het dorp Emmaüs. Ze lopen van Jeruzalem, de plek van het drama, naar hun dorp beneden. Een afgang, de voorstelling is ten einde, het doek is gevallen, gedeprimeerd gaan ze naar huis.

Tot ze worden ingehaald. Een derde figuur voegt zich bij hen en breekt hun cirkelredeneringen open door een vraag te stellen. De vraag maakt dat alles wat gebeurd is anders komt te liggen, dat woorden en betekenissen verschuiven en de harten van de Emmaüsgangers gaan branden.

In Emmaüs aangekomen, lijkt het of de derde persoon die met hen opliep, verder wil. Hij is de ware pelgrim, hij komt niet thuis, hij begint nog maar net aan zijn tocht door eeuwen en culturen, naar eindeloze verten. Hij lijkt verder te willen, om zich te voegen bij al die anderen die zich nog op weg zullen begeven en zich vast zullen lopen.

De Emmaüsgangers stellen aan de eeuwige pelgrim hun vraag, zo veelzeggend dat hij door alle tijden heen is blijven roepen:


‘Blijf bij ons,
want het gaat avond worden
en de dag heeft zich al geneigd.’
(Lucas 24:29)


De ervaring dat het avond wordt…

Wie verre tochten waagt weet wat het betekent als het avond gaat worden: je moet onderdak zien te vinden. Het was een prachtige dag, maar nu komt de melancholie van de avond. Of de melancholie van de levensavond. De dag loopt ten einde, het licht is anders, de schaduwen worden langer, de nacht valt: ‘blijf bij ons’.

Het is Pasen: wij worden aangeraakt door Leven dat onvoorstelbaar oud en nieuw is. Nu wordt het avond, wij stuiten op onze grenzen. Met Pasen raken we aan wat grenzeloos en onverwoestbaar is, maar dadelijk ook botsen we op beperkingen in onszelf. Bij Pasen hoort het sublieme licht, het weergaloze eerste scheppingslicht, maar wijzelf beleven desalniettemin dat het wéér donker wordt.

Die existentiële ervaring van de grens, van het ten einde lopen, wordt in de muziek en de tekst van deze cantate uitgedrukt. Tegenover het grandioos nieuwe staat ons blijvende gesukkel, dat in oudere taal ‘zonde’ wordt genoemd: het tekort, het tragische gegeven dat het ons niet lukt, dat we van onze zwakheid niet loskomen.

‘Bleib bei uns!’ In het openingskoor wordt die dringende roep telkens herhaald. Het bestaat uit drie delen (A-B-A’): het eerste en laatste deel wat langzamer, in een 3/4 maat; het middendeel sneller, 4/4 maat. In het middendeel wordt het ‘bleib bei uns’ langgerekt geroepen door zangstemmen en muziekinstrumenten. Negen keer klinkt het zo aanhoudend, als een drie maal drie keer herhaald ‘kyrie eleison’.

Het ‘blijven’ is het hoofdthema van heel de cantate. Wíj blijven niet. Wij breken onze tocht af, terwijl die ene als ware pelgrim maar dóórgaat. Wij hullen ons in donker, terwijl die ene een en al licht is.

In de cantate is de christusfiguur geladen met het licht van het laatste bijbelboek, de Apocalyps. In de Apocalyps verschijnt de Opgestane stralend en werpt zijn licht op onze geschiedenis van mislukkingen. In het recitatief van de bas (4) is er naar de Apocalyps een rechtstreekse verwijzing: onze ‘luchter’ wordt omgestoten, ons licht houdt het niet, wijzelf stralen niet.

In de tenoraria (5) wordt gebeden om open ogen om Christus toch te mogen herkennen: die gestalte die zich bij ons voegt en woorden spreekt die vervuld zijn van het licht dat blijft.


Twee koralen zijn in deze cantate te horen.

Het eerste, ‘Ach bleib bei uns, Herr Jesu Christ’ (3), wordt gezongen door de sopranen. De twee strofen vormen een bewerking van de Latijnse hymne ‘Vespera iam venit’, gedicht door de lutherse voorman Philippus Melanchton (1579).

Het slotkoor is een lied van Luther zelf, gezongen op een melodie uit het gregoriaanse verleden: ‘Erhalt uns, Herr, bei deinem Wort’, ‘Bewaar ons, Here, bij uw woord’. Luther schreef het lied in een bange tijd, waarin de westerse christenheid hopeloos en definitief verdeeld raakte en Europa weerloos leek tegen de Turken, die alsmaar verder oprukten en en inmiddels half Hongarije bezet hielden.


Avondstemming. De dag neigt zich, iets wat ooit sterk was en glans bezat, gaat ten onder. Fin de siècle. ‘Heer Jezus, bescherm uw arme christenheid.’ In heel de cantate die avondstemming, langgerekte schaduwen, de melancholie. Blijf bij ons, jij eeuwige pelgrim, die verder gaat waar het voor ons lijkt op te houden.

Let op hoe Bach de avondstemming muzikaal verklankt: door de wijze waarop het openingskoor besluit met het neigen van de dag en in de aria van de alt (2), in de laatste regel, de duisternis wordt getoonzet; de wijze waarop in het recitatief van de bas (4) onze kandelaar wordt omgestoten we in de tenoraria (5) voortsjokken op onze onvolmaakte wegen.

Maar hoor ook het aangehouden roepen (‘blijf bij ons…!’). En hoe in de alt-aria, het tweede deel, de Zoon van God hóóg wordt geloofd. Merk op wat er in de muziek gebeurt telkens als het licht van de verrijzenis ter sprake komt.

Op 2 april 1725 werd deze cantate voor het eerst in Leipzig uitgevoerd. Eeuwen later lijkt er niets veranderd: er is het licht dat al die eeuwen is gebleven — en wij die voorbijgaan bidden dat het bij ons blijft, als het voor ons avond wordt.


Henk Gols