Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 39 'Brich dem Hungrigen dein Brot'

Petruskerk, 14 juni 2009

- Eerste deel -

1. Koor

‘Brich dem Hungrigen dein Brot und die, so in Elend sind, führe ins Haus!
So du einen nackend siehest, so kleide ihn und entzeuch dich nicht von deinem Fleisch.
Alsdenn wird dein Licht herfürbrechen wie die Morgenröte, und deine Besserung wird schnell wachsen, und deine Gerechtigkeit wird für dir hergehen, und die Herrlichkeit des Herrn wird dich zu sich nehmen.’
(Jesaja 58:7-8)


2. Recitatief (bas)

Der reiche Gott wirft seinen Überfluss
Auf uns, die wir ohn ihn auch nicht den Odem haben.
Sein ist es, was wir sind; er gibt nur den Genuss,
Doch nicht, dass uns allein
Nur seine Schätze laben.
Sie sind der Probestein,
Wodurch er macht bekannt,Dass er der Armut auch die Notdurft ausgespendet,
Als er mit milder Hand,
Was jener nötig ist, uns reichlich zugewendet.
Wir sollen ihm für sein gelehntes Gut
Die Zinsen nicht in seine Scheuren bringen;
Barmherzigkeit, die auf dem Nächsten ruht,
Kann mehr als alle Gab ihm an das Herze dringen.


3. Aria (alt)

Seinem Schöpfer noch auf Erden
Nur im Schatten ähnlich werden,
Ist im Vorschmack selig sein.
Sein Erbarmen nachzuahmen,
Streuet hier des Segens Samen,
Den wir dorten bringen ein.


- Tweede deel -

   4. Aria (bas)

‘Wohlzutun und mitzuteilen vergesset nicht; denn solche Opfer gefallen Gott wohl.’
(Brief aan de Hebreeën 13:16)


5. Aria (sopraan)

Höchster, was ich habe,
Ist nur deine Gabe.
Wenn vor deinem Angesicht
Ich schon mit dem meinen
Dankbar wollt erscheinen,
Willt du doch kein Opfer nicht.


5. Recitatief (alt)

Wie soll ich dir, o Herr, denn sattsamlich vergelten,
Was du an Leib und Seel mir hast zugutgetan?
Ja, was ich noch empfang, und solches gar nicht selten,
Weil ich mich jede Stund noch deiner rühmen kann?
Ich hab nichts als den Geist, dir eigen zu ergeben,
Dem Nächsten die Begierd, dass ich ihm dienstbar werd,
Der Armut, was du mir gegönnt in diesem Leben,
Und, wenn es dir gefällt, den schwachen Leib der Erd.
Ich bringe, was ich kann, Herr, lass es dir behagen,
Dass ich, was du versprichst, auch einst davon mög tragen.


6. Koraal

Selig sind, die aus Erbarmen
Sich annehmen fremder Not,
Sind mitleidig mit den Armen,
Bitten treulich für sie Gott.
Die behülflich sind mit Rat,
Auch, womöglich, mit der Tat,
Werden wieder Hülf empfangen
Und Barmherzigkeit erlangen.

De cantates van Bach zijn vervuld van een innig soort gelovigheid: Mijn ziel, dat wat ik echt bent, wordt door het eeuwige geraakt. Het eeuwige is niet onbereikbaar ver, het zoekt mij. Ik zoek het en verhoud me ermee als tot een liefste. Een liefste die me lokt en roept.

Deze innige vroomheid verbindt zich in de cantate voor deze eerste zondag na Trinitatis met een stevig thema uit de joodse en christelijke traditie: de barmhartigheid. Barmhartigheid is vol compassie. De ander laat je niet onberoerd, innerlijk word je door hem of haar bewogen. Niet dat joden en christenen aan de barmhartigheid altijd voorbeeldig handen en voeten zouden weten te geven, maar ze sjouwen de opdracht tot barmhartigheid in hun religieuze bagage mee; dat lastige thema laat zich niet doodzwijgen, niet wegdrukken, altijd weer meldt het zich, storend, appellerend, troostend.

De cantate begint in het openingskoor met die roep om barmhartigheid: een citaat uit het profetenboek Jesaja (58:7-8). In dat citaat houdt de profetische stem de gangbare godsdienstige praktijken, de gebruikelijke vormen van devotie, tegen het licht en stelt ze onder kritiek. Waar gaat bij waarachtige godsdienst om?


‘Is het niet: dat je je brood breekt voor de hongerige?
dat je wie arm en verdreven zijn laat komen in je huis?
wanneer je een naakte ziet, dat je hem bekleedt?
dat je je voor je medemens (met een lijf als het jouwe, vlees en bloed als jij)
niet verbergt?
Dán zal je licht doorbreken als het morgenrood,
snel zal je wond zich sluiten;
je rechtvaardiging zal voor je uit gaan,
de heerlijkheid van de Eeuwige zal je achterhoede zijn.’


‘Breek voor de hongerige je brood, en wie er ellendig aan toe zijn, breng ze in het huis’ — zingt het openingskoor om te beginnen. De muziek bij die woorden heeft iets brokkeligs, ze breekt — als het brood dat gebroken wordt? of is het de breekbare voortschrijdende beweging van arme voortvluchtigen?

‘Breng ze in het huis’. Bij die woorden komen de stemmen van het koor samen, in het huis worden allen verzameld.


Op het gebroken begin van het openingskoor volgt een kort en resoluut tweede deel: ‘Zie je een naakte, kleedt hem dan, onttrek je niet aan je eigen vlees (je medemens, met wie je verwant bent, die net zo lijfelijk mens is als jij).’ Kordaat wordt in de muziek uitgedrukt wat ons te doen staat: het beschermen van wie onbeschut in het leven staat.

Vervolgens kan, in de afsluiting van het openingskoor, het licht doorbreken — als het morgenrood. Je eigen wonden genezen aan de toewending naar de ander. Daar loop je, ‘gerechtvaardigd’: zó mag je er wezen, op deze manier is mens zijn een heerlijke zaak!

Briljant (wat een variatie aan muzikale expressie!) zoals Bach deze oude profetische tekst verklankt. Een ‘aangrijpend beginkoor dat dagelijks zou moeten opklinken in gelegenheden waar veel geld verdiend wordt (banken, beurzen)’, noteert Maarten ’t Hart. 1


De cantate is voor het eerst uitgevoerd op zondag na Trinitatis 23 juni 1726. Bach heeft er dan in Leipzig precies drie jaar als cantor opzitten. Hoorbaar is zijn hoog ontwikkeld meesterschap. Maar hij is wel zo groot dat hij open kan staan voor wat anderen te bieden hebben. Voor deze cantate gaat hij te werk volgens het concept van een verre achterneef, Johann Ludwig Bach. Johann Ludwig componeerde cantates in twee delen: beide delen beginnen met een bijbelcitaat. Het tweede bijbelcitaat is altijd uit het Nieuwe Testament en wordt door aria’s omgeven; daaromheen worden recitatieven gelegd. De cantates besluiten, zoals ook Johann Sebastian gewoon was, met een slotkoor.

De verre achterneef was werkzaam aan het hof te Meiningen (halverwege Göttingen en Nürnberg). Hij maakte voor zijn cantates gebruik van een libretto dat aan datzelfde hof was samengesteld, misschien wel geschreven door de hertog (Ernst Ludwig) zelf.

Bach gebruikt in de cantate voor deze zondag het tekstmateriaal uit Meiningen. Behalve de twee bijbelcitaten en het slotkoraal zijn het vrije, naar poëzie neigende regels, waarin het thema van de bijbelcitaten nader wordt overwogen. De bijbelwoorden zijn eeuwig, de stem in die woorden is van alle tijden. De overwegingen zijn 18e eeuws, nogal moraliserend — en toch actueel. Na het gecompliceerde openingskoor klinken ze in de muziek tamelijk eenvoudig. Wat stellen wij mensen voor? Zelfs de adem is niet van onszelf. Wat we hebben is ons geschonken. Ons bezit is bedoeld om uit te delen, niet om in schuren te vergaren, niet om op te potten. Voor God is mijn geest, aan de naaste maak ik mij dienstbaar, op armoede reageer ik met alles wat ik in huis heb, mijn eigen broze bestaan wijd ik aan de aarde, ik geef wat ik kan. Barmhartigheid is niet iets wat alleen bij God hoort, ook ik maak me die eigen.


Een cantate tegen het graaien. Godsdienst profileert zich als dienst aan de medemens. De vreemde nood van de ander integreer ik in mijn eigen bestaan. Armen en voortvluchtigen bied ik mijn advies, mijn goede raad, ik onderneem actie — in die trant zingt het slotkoraal (een tekst uit 1648 van David Denicke).

De innige geloofstaal van de Bachcantates blijkt op deze zondag te sporen met wat het hart vormt van wat de bijbelse profeten en apostelen zeggen: ‘vergeet niet het goede te doen en te delen met een ander’ (Hebreeën 13:16).

Hoe overtuigend klinkt deze religieuze muziek: voor Bach een offer aan God. Een offer dat zuiver is, omdat het opgaat in barmhartigheid.


Henk Gols


1 Maarten ’t Hart, Johann Sebastian Bach, De Arbeiderspers, 2000, p. 113.