Website Henk Gols

Cantate 36 'Schwingt freudig euch empor'

Petruskerk,
13 december 2009

- Eerste deel -

1. Openingskoor

Schwingt freudig euch empor zu den erhabnen Sternen,
Ihr Zungen, die ihr itzt in Zion fröhlich seid!
Doch haltet ein! Der Schall darf sich nicht weit entfernen,
Es naht sich selbst zu euch der Herr der Herrlichkeit.


2. Koraal (duet sopraan en alt)

Nun komm, der Heiden Heiland,
Der Jungfrauen Kind erkannt,
Des sich wundert alle Welt,
Gott solch Geburt ihm bestellt.


3. Aria (tenor)

Die Liebe zieht mit sanften Schritten
Sein Treugeliebtes allgemach.
  Gleichwie es eine Braut entzücket,
  Wenn sie den Bräutigam erblicket,
  So folgt ein Herz auch Jesu nach.


4. Koraal

Zwingt die Saiten in Cythara
Und lasst die süße Musica
Ganz freudenreich erschallen,
Dass ich möge mit Jesulein,
Dem wunderschönen Bräutgam mein,
In steter Liebe wallen!
Singet,
Springet,
Jubilieret, triumphieret, dankt dem Herren!
Groß ist der König der Ehren.


 - Tweede deel -

5. Aria (bas)

Willkommen, werter Schatz!
Die Lieb und Glaube machet Platz
Vor dich in meinem Herzen rein,
Zieh bei mir ein!


6. Koraal (tenor)

Der du bist dem Vater gleich,
Führ hinaus den Sieg im Fleisch,
Dass dein ewig Gott'sgewalt
In uns das krank Fleisch enthalt.


7. Aria (sopraan)

Auch mit gedämpften, schwachen Stimmen
Wird Gottes Majestät verehrt.
  Denn schallet nur der Geist darbei,
  So ist ihm solches ein Geschrei,
  Das er im Himmel selber hört.


8. Koraal

Lob sei Gott, dem Vater, g'ton,
Lob sei Gott, sein'm eingen Sohn,Lob sei Gott, dem Heilgen Geist,Immer und in Ewigkeit!

Het is de periode van de Advent. In de weken naar de kortste dag, de steeds donkerder tijd naar Kerstmis toe, brandt in onze christelijke cultuur het licht van de verwachting. Het licht gaat niet alleen maar weg, ook kómt het. Het donker neemt toe maar toch komt het licht.

Dat het komt — daarvan zingt deze adventscantate. In de cantate is er een intiem weten dat de liefste komt. Verlangend wordt de liefste welkom geheten.

Telkens opnieuw blijken de cantates van Bach aan te knopen bij de mystiek die in de Bijbel zelf te vinden is, de mystiek van kerkvaders en van de Middeleeuwen. Het geloof laat zich niet beperken tot de laag van de ratio, het is iets volgslagen anders dan het onderschrijven van formules die het hart niet raken. Geloven is liefhebben, weet de mystiek en beaamt Bach. Als koppel komen liefde en geloof voor in de aria van de bas in het 5e deel van de cantate: ‘Welkom, jij mijn schat, die me zoveel waard bent!’

Advent heeft te maken met de ziel. De ziel is wat ik echt ben, waar mijn echte honger en dorst zit, waar de bron van mijn verlangen schuilt. Het is de plek waar de liefste komt.

Vrolijk zet de cantate in. De stemmen zingen zich omhoog — maar houden ook in. Uitgelaten zingt het — maar het is of de stemmen schrikken. Zover moeten ze niet dragen! Zo publiek moet het niet! Nog niet. Wat gevierd wordt is vooreerst een intiem geheim.

In het oude middeleeuwse leesrooster van de westerse kerk werd op de 1e zondag van Advent gelezen van Jezus’ intocht in Jeruzalem (Matteüs 21:1-9). In de lutherse traditie is die gewoonte bewaard gebleven. Jeruzalem of ‘Sion’ is in de bijbelse traditie altijd een vrouwe, een moeder, een bruid. In de Psalmen zijn het lot van stad en mensen met elkaar verweven. De stad bergt mijn ziel. Het lied dat er klinkt is mijn lied. Het verlangen van Jeruzalem is mijn verlangen. Mijn vreugde en verdriet krijgen er een plek, een melodie. Jezus’ intocht in Jeruzalem betekent daarom ook dat de messiaanse bruidegom naar mij toekomt.

De vrolijkheid om zijn komst in het bewegelijke openingskoor wordt gevolgd door aria’s van een wonderschone intimiteit. Ze zijn vervuld van piëteit, van liefdevolle toewijding:

In de aria van de tenor (3) vallen de woorden ‘bruid’ en ‘bruidegom’. Verrukt is de bruid als ze haar bruidegom ontwaart. Wie is de bruid? Het is mijn eigen hart. Mijn hart is verrukt.

In de aria van de sopraan (7) zijn vlugge opgaande notenreeksen te horen, snelle opgaande bewegingen. Het is in de tweede helft van de cantate, waar de menselijke zwakheid een thema is. Hoorbaar wordt hoe het in ons omhoog reikt, hoe onze zwakke stem gedragen wordt. Zoals de stem van de sopraan gedragen wordt door de viool, die meegaat en de stem herhaalt en optilt — tot bij God.

De intieme sfeer kenmerkt ook de koralen die in deze cantate klinken. Doorgaans wisselen in de cantates recitatief en aria elkaar af. Maar dit keer blijft het recitatief achterwege. In plaats daarvan worden strofen van koralen (lutherse kerkliederen) ingevoegd:

Verspreid over de cantate horen we drie strofen van het adventslied ‘Nun komm, der Heiden Heiland’. Het is Luthers bewerking van een hymne van bisschop Ambrosius van Milaan, uit de 4e eeuw. Onderweg door de eeuwen is het eerste couplet van Ambrosius’ lied zoekgeraakt. Ook in de versie van Luther begint het nu met de tweede strofe: ‘Kom nu, heiland van de heidenen’. De strofe klinkt in een duet van sopraan en alt. Innig wordt het geheim bezongen dat voor wereldwijd is bedoeld.


In het tweede deel van de cantate zingen de tenoren nog een andere strofe van de oude hymne (7). De melodie klinkt op lange, gedragen noten, die virtuoos worden omspeeld door de snelle noten van de instrumenten. Alsof de melodie alleen maar kan lukken omdat er van een andere kant, van buiten onze stemmen, hard aan wordt gewerkt.

De cantate besluit met de laatste strofe van de hymne.


Het eerste hoofddeel van de cantate wordt afgesloten met een strofe uit een van de mooiste kerkliederen uit de lutherse traditie: ‘Wie schön leuchtet der Morgenstern’, van de hand van de lutherse dominee Philipp Nicolai (1556-1608). Hij schreef het lied ten tijde van een pestepidemie in de stad waar hij woonde en werkte, Unna, in Westfalen. Te midden van dood en verderf ontstond deze ode aan het licht en de vreugde: omdat de Bruidegom komt naar zijn bruid — de bruid die mijn ziel is. Het lied zingt en danst, het glanst en sprankelt. Het is geweven uit bijbelse en christelijke mystiek. Als je regels van het lied centreert op de bladspiegel ontstaat er een visueel effect: zichtbaar wordt de vorm van een avondmaalsbeker, de beker van het heil, die overvloeit van geluk.

De cantate werd in deze vorm op 2 december 1731 te Leipzig uitgevoerd. Maar de cantate heeft een lange voorgeschiedenis. Openingskoor en aria’s zijn bewerkingen van een vroegere, wereldlijke cantate. Bach deed dat vaker: eerder materiaal opnieuw gebruiken, het profane optillen naar liturgisch gebruik.

Een cantate voor de eerste zondag van Advent. Want in de tijd van Bach zweeg de cantate-muziek in de verdere weken tot Kerstmis. Advent was hoorbare verstilling. Vol verstilde vreugde is de muziek die we horen. Voor de grote wereld is het geheim dat wordt bezongen. Maar om te beginnen wordt het in eerbiedige beslotenheid, innig en liefdevol verwelkomd.


Henk Gols