Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 159 ‘Sehet! Wir gehn hinauf gen Jerusalem’

Petruskerk, 8 maart 2009

1. Arioso en recitatief

(bas)
Sehet!

(alt)
Komm, schaue doch, mein Sinn,
Wo geht dein Jesus hin?

(bas)
Wir gehn hinauf

(alt)
O harter Gang! hinauf?
O ungeheurer Berg, den meine Sünden zeigen!
Wie sauer wirst du müssen steigen!

(bas)
Gen Jerusalem.

(alt)
Ach, gehe nicht!
Dein Kreuz ist dir schon zugericht',
Wo du dich sollst zu Tode bluten;
Hier sucht man Geißeln vor, dort bindt man Ruten;
Die Bande warten dein;
Ach, gehe selber nicht hinein!
Doch bliebest du zurücke stehen,
So müßt ich selbst nicht nach Jerusalem,
Ach, leider in die Hölle gehen.


2. Aria (alt) en koraal (sopranen)

Ich folge dir nach
Ich will hier bei dir stehen,
Verachte mich doch nicht!
Durch Speichel und Schmach;
Am Kreuz will ich dich noch umfangen,
Von dir will ich nicht gehen,
Bis dir dein Herze bricht.
Dich lass ich nicht aus meiner Brust,
Wenn dein Haupt wird erblassen
Im letzten Todesstoß,
Und wenn du endlich scheiden musst,
Alsdenn will ich dich fassen,
Sollst du dein Grab in mir erlangen.
In meinen Arm und Schoß.


3. Recitatief (tenor)

Nun will ich mich,
Mein Jesu, über dich
In meinem Winkel grämen;
Die Welt mag immerhin
Den Gift der Wollust zu sich nehmen,
Ich labe mich an meinen Tränen
Und will mich eher nicht
Nach einer Freude sehnen,
Bis dich mein Angesicht
Wird in der Herrlichkeit erblicken,
Bis ich durch dich erlöset bin;
Da will ich mich mit dir erquicken.


4. Aria (bas)

Es ist vollbracht,
Das Leid ist alle,
Wir sind von unserm Sündenfalle
In Gott gerecht gemacht.
Nun will ich eilen
Und meinem Jesu Dank erteilen,
Welt, gute Nacht!
Es ist vollbracht!


5. Koraal

Jesu, deine Passion
Ist mir lauter Freude,
Deine Wunden, Kron und Hohn
Meines Herzens Weide;
Meine Seel auf Rosen geht,
Wenn ich dran gedenke,
In dem Himmel eine Stätt
Mir deswegen schenke.

‘Sehet! Wir gehn hinauf gen Jerusalem’, ‘Zie, wij gaan op naar Jeruzalem’. Deze cantate van Bach is gebaseerd op een fragment uit het evangelie van Lucas. Ik lees het u voor, zodat u beter begrijpt wat er in de tekst en de muziek van deze cantate gebeurt:


Jezus nam de twaalf leerlingen apart
en zei tot hen:
‘Zie, wij gaan op naar Jeruzalem,
en voleindigd zal worden
alles wat geschreven is
door de profeten
aangaande de mensenzoon:
want die zal overgeleverd worden aan de volken
en bespot en vernederd worden
en bespuwd,
ze zullen hem geselen en doden,
en op de derde dag zal hij opstaan.’
En zij
begrepen niets van dit alles,
dat woord was voor hen verborgen,
ze herkenden niet wat er gezegd werd.

Het geschiedde,
toen zij Jericho naderden:
een blinde zat langs de weg te bedelen.
Toen hij de menigte voorbij hoorde trekken,
informeerde hij wat er aan de hand was.
Ze meldden hem
dat Jezus de Nazoreeër voorbijkwam.
En hij schreeuwde,
hij zei:
‘Jezus, zoon van David, ontferm u over mij!’|
Degenen die voorop liepen
snauwden hem toe
dat hij moest zwijgen.
Maar hij, veel meer nog,
gilde:
Zoon van David, ontferm u over mij!’
En Jezus stond stil
en beval hem bij hem te brengen.
Toen vroeg Jezus hem:
‘Wat wil je dat ik doe?’
Hij zei:
‘Heer, dat ik zien mag!’
En Jezus zei tot hem:
‘Zie!’

(Lucas 18:31-42)


‘Sehet!’ De nadrukkelijke imperatief waarmee de cantate inzet, de oproep om te kíjken, veronderstelt een context waarin niemand iets ziet of begrijpt. De blinde man uit het evangelie is de eerste bij wie de ogen open gaan.

Het begin (1) van de cantate bevat de oproep van Jezus om op te gaan naar Jeruzalem en de verbijsterende reactie daarop. Die reactie komt niet, als in het evangelie, van de kant van de leerlingen, die mannen, maar wordt gezongen door de alt, die de gelovige gemeenschap representeert. In de Bijbel wordt de geloofsgemeenschap vaak gesymboliseerd door een vrouwelijke figuur, een liefste, de bruid van de messias. Dit eerste deel van de cantate is een dialoog tussen Jezus, de bas, en die vrouwelijke gestalte, de alt (in Bachs tijd een mannenstem!). Heen en weer gaat het tussen die beiden. Zij probeert hem te weerhouden. Beeldend laat tekstdichter Picander haar zeggen dat in Jeruzalem nu al de gesel wordt vervaardigd, de takken van de roede bijeen worden gebonden, de touwen al klaar worden gelegd. ‘Nee, ga niet!’

Tot tenslotte het besef bij haar doorbreekt dat, als hij niet naar Jeruzalem gaat, haar weg zal eindigen in een ‘hel’. Muzikaal wordt die hellevaart onderstreept doordat de muziek afglijdt naar beneden. De hel bestaat in wat wij soms zeggen: ‘het is een hel.’ Dan gaat het nergens meer naartoe en is het alleen maar afschuwelijk.

Tegenover de neergaande beweging nergens naartoe staan de woorden van Jezus: ‘Zie, wij gaan op naar Jeruzalem. In de muziek hoor je een opgaande figuur, een reeks noten die telkens wordt herhaald. Telkens zes noten achtereen en dan, waar de zevende zou moeten klinken, een hapering (let op de continuo-begeleiding). Het is alsof Jezus bij het voortgaan telkens even stopt en zich tot zijn leerlingen wendt.

Gaan en dan weer stoppen, beweging en rust, voorttrekken en aankomen: beide kenmerken de cantate.

De beweging in de woorden en de muziek is de gang dwars door de crisis, door de pijn en het sterven, heel die neergang die ‘opgang naar Jeruzalem’ heet. De opgang realiseert zich door de crisis heen. Opstaan is de mogelijkheid als je helemaal onderdoor hebt moeten gaan, als je niet bent teruggedeinsd, als je niet gevlucht bent in het banale plezier waarover de tenor zingt in zijn recitatief (3).

De cantate beweegt zich naar vreugde aan gene zijde van de pijn, voorbij de tranen. Aan de andere kant van de berg van het lijden wacht een plek als een weide, zingt het slotkoraal: een hemelse plek. ‘Hemel’ staat voor een nieuwe werkelijkheid die zich aandient, het volstrekt nieuwe voorbij jouw mogelijkheden, voor wat zomaar gegéven wordt.

Bach componeerde deze cantate in Leipzig voor de laatste zondag vóór de Vasten, 27 februari 1729. Na die zondag zou de cantatemuziek zwijgen. Pas op in de Goede of Stille Week zou opnieuw muziek klinken, passiemuziek, de Matthäus Passion, de Johannes Passion.

Deze cantate en de grote passiemuziek straks omspannen de veertig dagen van de Vasten. Er zit van alles in deze cantate dat heenwijst naar de passie aan de andere kant van de boog. De hartstochtelijke dialoog waarmee de cantate begint (1) correspondeert met de dialoog in de Matthäus Passion: ‘wenn? wie? was? wohin?’ De aria van de bas, ‘Es ist vollbracht’ (4), verwijst naar de gelijknamige aria in de Johannes Passion.

Beweging en rust zijn hoorbaar in de aria van de alt (2), die begint met ‘Ich folge dir nach’, ‘ik ga je achterna.’ Haast opgewekt, dansend, klinkt de muzikale figuur. Maar de aria verstilt tot een innige pietà, tot een omarming als van een Maria Magdalena, die de gekruisigde koestert aan haar borst, in haar armen, op haar schoot. ‘Lieve vernederde en gemartelde, sterf in mij, laat mij jouw graf zijn’ — zoiets zingt zij op lage tonen. Terwijl zij zingt, klinkt uit de mond van de sopranen een strofe uit het koraal van Paul Gerhardt, ‘O Haupt voll Blut und Wunden’ (uit 1656). Dat koraal komt ook voor in de Matthäus Passion, waar het vijf keer wordt herhaald en telkens anders klinkt, met telkens een andere harmonisatie, op een andere toonhoogte, in een andere toonsoort. In de hoge stemmen stemt vrouwe de Kerk, heel de gelovige gemeenschap, in met wat de alt zo persoonlijk, zo intiem uitdrukt aan liefde voor een gefolterd mensenkind.

Bekijk het, wereld, met je pleziertjes! — zingt de tenor in zijn recitatief (3): voor mij is er alleen vreugde als ik ‘zie’, als ik dit kapotgeslagen mensenkind ‘zie’ in zijn luister. Het lijden van de gemartelde Jezus gaat niet nergens naartoe, het is niet alleen maar afschuwelijk. Er is nu een perspectief, dat ‘gezien’ wordt. Al zingend is de verblinding doorbroken.

De aria van de bas (4) vormt het hoogtepunt van de cantate. ‘Het is volbracht’. Tekst en muziek ademen een volmaakte rust. Er weeft zich een grote harmonie, de hobo legt grote bogen, alle spanning lost op, de dingen vallen op hun plek, het is klaar. Het lijden is klaar. ‘Wir sind von unserm Sündenfalle / in Gott gerecht gemacht’: er is van alles fout gegaan, maar dat telt niet meer, we slepen het niet langer mee, hij is er doorheen gebroken, het is o.k. nu.

Zelfs in dit gedeelte van ultieme rust komt nog even iets van beweging als de bas zingt: ‘ik wil nu snel naar jou toe, om je te danken.’ Maar ook die dankbare beweging verstilt weer in ‘es ist vollbracht.’

Het is een hoofdthema uit het evangelie en uit de protestantse reformatie, uit de lutherse traditie van Bach — en te horen aan de aria moet het voor Bach alles betekend hebben: dat in de dramatische neergang van de christusfiguur de beslissing is gevallen; dat het niet meer uitmaakt wat er is misgegaan, dat je bij voorbaat bent vrijgesproken, dat je er zijn mag en volkomen bent aanvaard. Het gaat nooit meer nergens naartoe, je bent terecht, je hebt een plek, in vertrouwen mag je voortaan het leven leven.

De grote vreugde daarover wordt onderstreept in het slotkoraal.

‘Zie, wij gaan op naar Jeruzalem.’


Henk Gols

 

Klik hier voor de tekst en uitleg bij de uitvoering van dezelfde cantate op 13 april 2014