Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 154 ‘Mein liebster Jesus ist verloren’

Petruskerk, 10 januari 2010

1. Aria (tenor)

Mein liebster Jesus ist verloren:
O Wort, das mir Verzweiflung bringt,
O Schwert, das durch die Seele dringt,
O Donnerwort in meinen Ohren.

2. Recitatief (tenor) 

Wo treff ich meinen Jesum an,
Wer zeiget mir die Bahn,
Wo meiner Seele brünstiges Verlangen,
Mein Heiland, hingegangen?
Kein Unglück kann mich so empfindlich rühren,
Als wenn ich Jesum soll verlieren.

3. Koraal

Jesu, mein Hort und Erretter,
Jesu, meine Zuversicht,
Jesu, starker Schlangentreter,
Jesu, meines Lebens Licht!
Wie verlanget meinem Herzen,
Jesulein, nach dir mit Schmerzen!
Komm, ach komm, ich warte dein,
Komm, o liebstes Jesulein!

4. Aria (alt)

Jesu, lass dich finden,
Laß doch meine Sünden
Keine dicke Wolken sein,
Wo du dich zum Schrecken
Willst für mich verstecken,
Stelle dich bald wieder ein!

5. Arioso (bas)

Wisset ihr nicht, dass ich sein muss in dem, das meines Vaters ist ?

6. Recitatief (tenor)

Dies ist die Stimme meines Freundes,
Gott Lob und Dank!
Mein Jesu, mein getreuer Hort,
Läßt durch sein Wort
Sich wieder tröstlich hören;
Ich war vor Schmerzen krank,
Der Jammer wollte mir das Mark
In Beinen fast verzehren;
Nun aber wird mein Glaube wieder stark,
Nun bin ich höchst erfreut;
Denn ich erblicke meiner Seele Wonne,
Den Heiland, meine Sonne,
Der nach betrübter Trauernacht
Durch seinen Glanz mein Herze fröhlich macht.
Auf, Seele, mache dich bereit!
Du musst zu ihm
In seines Vaters Haus, hin in den Tempel ziehn;
Da lässt er sich in seinem Wort erblicken,
Da will er dich im Sakrament erquicken;
Doch, willst du würdiglich sein Fleisch und Blut genießen,
So musst du Jesum auch in Buß und Glauben küssen.

7. Aria (duet alt en tenor)

Wohl mir, Jesus ist gefunden,
Nun bin ich nicht mehr betrübt.
Der, den meine Seele liebt,
Zeigt sich mir zur frohen Stunden.
Ich will dich, mein Jesu, nun nimmermehr lassen,
Ich will dich im Glauben beständig umfassen.

8. Koraal

Meinen Jesum lass ich nicht,
Geh ihm ewig an der Seiten;
Christus lässt mich für und für
Zu den Lebensbächlein leiten.
Selig, wer mit mir so spricht:
Meinen Jesum lass ich nicht.

Cantate voor de zondag na Epifanie

Een korte cantate. Het was winter. Koud was het in de kerken van Leipzig waar de cantates van Bach werden uitgevoerd, de Thomaskirche en de St.-Nicolai. En verder was de grote kerstdrukte net achter de rug. Bach had in de kersttijd van 1723/1724, nog in zijn eerste jaar in Leipzig, zeven nieuwe composities het licht doen zien. In de cantate voor de Eerste zondag na Epifanie wordt het koor ontzien: het hoeft slechts twee koralen te zingen, Bach spaart de krachten van zijn zangers.

In vele kerken is op deze zondag het feest van de Doop van Jezus gevierd. In de tijd van Bach was de Doop van Jezus aan de orde precies een week na Epifanie (Driekoningen), op 13 januari dus. Op de zondag na Epifanie werd volgens een oud middeleeuws rooster gelezen van de twaalfjarige Jezus in de tempel (Lucas 2: 42-52). Het is het verhaal dat Jezus met zijn ouders pelgrimeerde naar Jeruzalem om het paasfeest te vieren. Als na het feest de terugreis wordt aanvaard, blijkt Jezus zoek. Zijn ouders keren terug naar Jeruzalem en vinden hem na drie dagen. Zo spant het evangelie een grote boog naar het moment dat Jezus ook na zijn dood zoek is; ook dan is er sprake van drie dagen. Jezus zegt tegen zijn ouders wat als een cruciale formule klank krijgt in de cantate: ‘Wisten jullie niet dat ik moet zijn in wat van mijn Vader is?’

In het evangelie volgt het verhaal van de twaalfjarige Jezus op een passage over Jezus als hij nog maar veertig dagen oud is en door zijn ouders naar de tempel wordt gebracht (Lucas 1: 22-38). In de tempel heeft een ontmoeting plaats met Simeon en met de oude Hanna. Simeon zegent het kind en zijn ouders en zegt dan tegen Maria dat vanwege dit kind een zwaard door haar ziel zal gaan. Dat zwaard snijdt door de openingsaria van de cantate.

De grote smart van ouders als hun kind zoek is. Deze cantate als een ode aan wie hun kind verloren hebben. Wat is er door Bach zelf heengegaan bij het componeren van deze muziek — hij die zelf ettelijke kinderen aan de dood verloren had? Verdriet klinkt. In de openingsaria horen we een zogenaamde lamento-bas: halve-toonstappen naar beneden, zoals bijvoorbeeld ook in het ‘Crucifixus’ in de Hohe Messe gebeurt. Boven die smartelijke bas klinken klagelijke boventonen, gespeeld door de eerste viool en gezongen door de tenor.

Maar het verhaal van deze verloren zoon, dit zoekgeraakte kind, wordt nog getransponeerd naar een ander niveau. Het is niveau waarop wij ons allemaal bewegen, waarop wij allemaal mens zijn. Mens zijn lijkt wel per definitie dat je verspeelt wat je het liefste is en zo je eigen leegte creëert, dat je verliest en telkens weer op zoek moet. Zoals zoveel cantates, gaat ook deze over de zoektocht van de ziel. De ziel is wat ons verbindt met de muziek van Bach. Tot in de ziel worden wij geraakt. Voor de ziel spelen geen tijdsdimensies. Op het niveau van de ziel vallen de wanden van de tijd weg. Mensen blijken van binnen hetzelfde, eeuwen geleden leefde je even gelukkig en gehavend, net als wij omarmde je en raakte je kwijt. De vertwijfeling, het ongeluk, de schrik, de droefheid die in de cantate tot uitdrukking worden gebracht, komen dan ook zomaar bij ons binnen.

Bach maakte gebruik van een tekst van een voor ons anonieme dichter. Die dichter heeft in zijn tekst twee keer een strofe uit een koraal verwerkt: een couplet uit het koraal ‘Jesu, meiner Seelen Wonne’ (Jezus, van mijn ziel 't geluk) van Martin Jahn (1661) en op het eind een couplet uit ‘Meinen Jesum laß ich nicht’ (mijn Jezus laat ik niet los) van Christian Keymann (1658).  Hoe ging Bach te werk? Hoe ontstond de muziek? Hij had de beschikking over een aantal verzamelingen cantateteksten. Met bepaalde teksten had hij blijkbaar iets, ze resoneerden bij hem. De ziel van de tekst zet hij op muziek. In de cantate voor deze zondag laat hij zich meevoeren door de beweging van zoeken naar vinden, van hevige pijn naar uitzinnige vreugde.

De cantate begint in een ongemakkelijk b-klein maar eindigt in een sterk en vreugdevol D-groot. De ontwikkeling binnen de de cantate is duidelijk aan de aria’s af te lezen: de openingsaria van de tenor is de schrijnende klacht om het kwijt zijn, de aria van de alt is vol van het willen vinden en de aria vóór het slotkoraal, een duet van tenor en alt, is een en al wervelende vreugde: wat een blijdschap in de muziek! — een blijdschap waarin alle instrumenten meedoen. Want gevonden is wat verloren was.

De liefste was verloren. De christusfiguur is voor de tekstschrijver en voor Bach de verbeelding van dat allerliefste. Christus heeft voor Bach niets van een dwingend geloofsartikel. Liefde, verliefdheid, blijde herkenning wervelen door de muziek. Waar is Christus te vinden? Hij is daar waar zijn woord klinkt en in het sacrament, in brood en wijn. Daar vind ik hem, daar hoor en zie ik hem, ik geniet hem, ik kus hem en omarm hem en laat hem nooit meer los.

Van een twaalfjarig jochie is Christus tot een liefste geworden, die met de volwassen stem van de bas zingt dat hij in de dingen van zijn Vader moet zijn. Stevig klinkt dat, nadat in de aria ervoor alle grond onder de voeten lijkt verdwenen. In die aria ontbreekt de continuo-bas. Het zoeken lijkt in de lucht te hangen. Christus zelf geeft weer grond onder de voeten. Als hij zich meldt, heeft de omslag plaats: alles beweegt zich naar ongeremde vreugde.

Ik wens u, medezoekers, toe dat uw arme ziel via deze cantate vreugde vindt.


Henk Gols