Website Henk Gols

Cantate 127 ‘Herr Jesu Christ, wahr' Mensch und Gott’

Petruskerk, 14 februari 2010

1. Openingskoor

Herr Jesu Christ, wahr' Mensch und Gott,

Der du littst Marter, Angst und Spott,

Für mich am Kreuz auch endlich starbst

Und mir deins Vaters Huld erwarbst,

Ich bitt durchs bittre Leiden dein:

Du wollst mir Sünder gnädig sein.


2. Recitatief (tenor)

Wenn alles sich zur letzten Zeit entsetzet,

Und wenn ein kalter Todesschweiß

Die schon erstarrten Glieder netzet,

Wenn meine Zunge nichts, als nur durch Seufzer spricht

Und dieses Herze bricht:

Genug, dass da der Glaube weiß,

Dass Jesus bei mir steht,

Der mit Geduld zu seinem Leiden geht

Und diesen schweren Weg auch mich geleitet

Und mir die Ruhe zubereitet.


3. Aria (sopraan)

Die Seele ruht in Jesu Händen,

Wenn Erde diesen Leib bedeckt.

Ach ruft mich bald, ihr Sterbeglocken,

Ich bin zum Sterben unerschrocken,

Weil mich mein Jesus wieder weckt.


4. Recitatief en aria (bas)

Wenn einstens die Posaunen schallen,

Und wenn der Bau der Welt

Nebst denen Himmelsfesten

Zerschmettert wird zerfallen,

So denke mein, mein Gott, im besten;

Wenn sich dein Knecht einst vors Gerichte stellt,

Da die Gedanken sich verklagen,

So wollest du allein,

O Jesu, mein Fürsprecher sein

Und meiner Seele tröstlich sagen:


Fürwahr, fürwahr, euch sage ich:

Wenn Himmel und Erde im Feuer vergehen,So soll doch ein Gläubiger ewig bestehen.

    Er wird nicht kommen ins Gericht

    Und den Tod ewig schmecken nicht.

    Nur halte dich,

    Mein Kind, an mich:

    Ich breche mit starker und helfender Hand

    Des Todes gewaltig geschlossenes Band.


5. Slotkoor

Ach, Herr, vergib all unsre Schuld,

Hilf, dass wir warten mit Geduld,

Bis unser Stündlein kömmt herbei,

Auch unser Glaub stets wacker sei,

Dein'm Wort zu trauen festiglich,

Bis wir einschlafen seliglich.

Muziek en teksten van drie eeuwen geleden. En wij, post-moderne mensen, post-christelijke-cultuurmensen, komen erop af. En de meesten van ons voelen de klik: op het niveau van de ziel komt moeiteloos de verbinding tot stand. Alsof het alleen op de oppervlaktelaag van het leven uitmaakt of je in de 18e of de 21e eeuw leeft: in de hoogte en diepte maakt het niet uit, blijft het leven het leven, blijft het verdriet verdriet, en in alle eeuwen en op alle plaatsen is het dezelfde vreugde. Bach beluisteren betekent meteen de hoogte en diepte, de gelaagdheid, in schieten. De muziek klopt op de deuren van verborgen kamers van het ingewikkelde en ondoorzichtige bouwsel van ons eigen bestaan. Complex is het leven en die complexiteit wordt door de muziek aangeroerd, erkend. De muziek is een ingewikkeld weefsel, maar de samenhang van alle thema’s en vormen en variaties belooft iets voor ons eigen leven, dat zo ingewikkeld en tegenstrijdig en gerafeld is, maar — hopen we — op de een of andere manier toch bijeengehouden wordt.

Gelaagd is het openingskoraal van de cantate van vanavond. Complexer kan het bijna niet. Het is de eerste strofe van het koraal ‘Herr Jesu Christ, wahr’ Gott und Mensch’, in 1562 gedicht door Paul Eber. Christus wordt aangeroepen als mens en God. Als een weergaloze compositietekening komt hij uit de bijbelse geschriften tevoorschijn: mens als geen ander, in wie wij allen op de een of andere manier worden begrepen en verzameld; tegelijkertijd is hij expressie van wat we soms god noemen en daarmee bedoelen we het laatste geheim van het leven, dat laatste dat niet in een formule is te vatten maar in die tekening van Christus een gezicht krijgt. Zijn ogen blijven maar kijken, alle eeuwen door, ze kijken ook in dit koraal en de muziek die Bach ervan gemaakt heeft.

Het koraal heeft het over de dood, over als het straks voorbij is: het lichaam verstart, de ogen zien niet meer, de oren horen niets, de tong roert zich niet langer. Het oordeel over mijn leven wordt uitgesproken. Was het een goed leven? Nee, ik kwam tekort. Christus, wees mij, zondaar, genadig! Die roep om ontferming besluit de eerste strofe van het koraal dat de cantate opent. Twee keer wordt die laatste regel gezongen.

Het zijn de sopranen die op langgerekte noten de koraalmelodie zingen. De melodie komt niet uit de lutherse maar uit de calvinistische reformatie. Ze is ontleend aan psalm 127 uit het Geneefse psalmboek (Lloys Bourgeois, 1551). De eerste acht noten van de koraalmelodie worden door de overige koorstemmen en de instrumenten keer op keer herhaald. Indringend klinken ze, en later weer in de begeleiding van de solo van de bas, in het vierde deel van de cantate. Maar Bach vlecht nog twee andere melodieën door het openingskoor. Meteen aan het begin de violen en even later ook de hobo’s vertolken het lutherse Agnus Dei: ‘Christus, lam van God, jij die wegdraagt de zonde van de wereld, ontferm je over ons en geef ons jouw vrede!’ Het wordt niet met zoveel woorden gezongen, maar toch gehoord, het is meer dan impliciet aanwezig. Het past bij het evangelie van deze lutherse zondag (Lucas 18:31-43), waarin een nameloze blinde naar Christus schreeuwt: ‘Zoon van David, ontferm u over mij!’ Een nameloze blinde, die staat voor wie het niet meer zien maar graag weer met open ogen door het leven zouden willen gaan, die dan in de weg van Christus door het bittere lijden de mogelijkheid herkennen om zelf naar het leven door te stoten. ‘Lam van God, jij die wegdraagt de zonde van de wereld, ontferm je over ons’ — die zich in de muziek herhalende roep wordt als het ware die blinde in de mond gelegd. De blinde, die nergens in de cantate expliciet ter sprake komt, maar anoniem toch aanwezig is.

Nog een derde melodie is te horen in het openingskoor, in de baspartij: een melodie van Hans Leo Haßler, die in gebruik was voor voor meerdere koralen, onder andere ‘O Haupt voll Blut und Wunden’.

Het openingskoor is een grandioos vlechtwerk. Op deze zondag vóór de christelijke Vasten, oog in oog met Christus die opklimt naar Jeruzalem, wordt de complexiteit van het bestaan opengezongen naar genade, naar laatste ontferming.


De sfeer van de cantate is niet wanhopig, er klinkt groot vertrouwen. In de laatste regel van het recitatief van de tenor zingt het van de rust die mij wordt toebereid. En de sopraan zingt in haar schitterende aria dat mijn ziel rust in de handen van de messias. Maar de rust in die aangrijpende aria is niet verstard. Het is de rust van de aarde in deze pre-voorjaarstijd. In de aarde wacht het zaad, ondergronds heerst bijkans een nerveuze spanning: ‘de blokfluiten en het continuo lijken wel het tikken van de klok, diep onder de grond in het dodenrijk klopt een hart, als zaad in de grond, bezig om op te staan’ (Gert Oost). Het leven klopt. In het tikken kun je ook de verborgen gang horen van Christus, stap voor stap, vastbesloten.

Op de aria van de sopraan volgt — ja wat het is? Recitatief? Aria? De bas zingt zich door alle vaststaande vormen heen. In de lutherse liturgie is het al helemaal de Voorvasten, het is al boetetijd, maar toch klinken de trompetten. De laatste bazuin klinkt, maar het is niet dreigend, het is eerder het signaal van de opstanding. Alles breekt, alles stort in, maar door alle deconstructie heen klinkt het woord van Christus, die de dodelijke band die mij wil vangen, losmaakt. Ik zelf breek niet, maar wat mij gevangen houdt, breekt. Dat wordt gezegd met noten die twee jaar later in de Matthäus Passion worden gebruikt in de koorfuga ‘Sind Blitze und Donner’.

De troostende woorden van Christus die door de bas gezongen worden, zijn citaten uit de zesde strofe van het koraal waarmee de cantate begint en eindigt. De melodie van het koraal komt in het zingen van de bas terug — en in de muziek klinken ook weer die eerste acht koraalnoten die ook steeds zo door het openingskoor heen hamerden.

Verstild en ootmoedig klinkt tenslotte de laatste strofe van het koraal, met niet voor niets dat laatste woord: ‘selichlich’. Maar een zaligheid die er in de muziek vreemd uitkomt, via modulaties naar ver verwijderde toonsoorten. We staan oog in oog met een geheim dat we absoluut niet vatten.

Deze zalige, grootse, dramatische koraalcantate werd voor het eerst uitgevoerd op zondag 11 februari 1725 in Leipzig. Nu in de Petruskerk, drie eeuwen later, alsof er niets veranderd is en wij nog altijd dezelfde blinden zijn, die zo graag zouden willen zien.


Henk Gols