Website Henk Gols googleb22ff19820e4ba6e.html

Cantate 117 ‘Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut’

Petruskerk, 14 maart 2010

- Eerste deel -

1. Koor

Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut,
Dem Vater aller Güte,
Dem Gott, der alle Wunder tut,
Dem Gott, der mein Gemüte
Mit seinem reichen Trost erfüllt,
Dem Gott, der allen Jammer stillt.
Gebt unserm Gott die Ehre!

2. Recitatief (bas)

Es danken dir die Himmelsheer,
O Herrscher aller Thronen,
Und die auf Erden, Luft und Meer
In deinem Schatten wohnen,
Die preisen deine Schöpfermacht,
Die alles also wohl bedacht.
Gebt unserm Gott die Ehre!

3. Aria (tenor)

Was unser Gott geschaffen hat,
Das will er auch erhalten;
Darüber will er früh und spat
Mit seiner Gnade walten.
In seinem ganzen Königreich
Ist alles recht und alles gleich.
Gebt unserm Gott die Ehre!

4. Koor

Ich rief dem Herrn in meiner Not:
Ach Gott, vernimm mein Schreien!
Da half mein Helfer mir vom Tod
Und ließ mir Trost gedeihen.
Drum dank, ach Gott, drum dank ich dir;
Ach danket, danket Gott mit mir!
Gebt unserm Gott die Ehre!

- Tweede deel -

5. Recitatief (alt)

Der Herr ist noch und nimmer nicht
Von seinem Volk geschieden,
Er bleibet ihre Zuversicht,
Ihr Segen, Heil und Frieden;
Mit Mutterhänden leitet er
Die Seinen stetig hin und her.
Gebt unserm Gott die Ehre!

6. Aria (bas)

Wenn Trost und Hülf ermangeln muss,
Die alle Welt erzeiget,
So kommt, so hilft der Überfluss,
Der Schöpfer selbst, und neiget
Die Vateraugen denen zu,
Die sonsten nirgend finden Ruh.
Gebt unserm Gott die Ehre!

7. Aria (alt)

Ich will dich all mein Leben lang,
O Gott, von nun an ehren;
Man soll, o Gott, den Lobgesang
An allen Orten hören.
Mein ganzes Herz ermuntre sich,
Mein Geist und Leib erfreue sich.
Gebt unserm Gott die Ehre!

8. Recitatief (tenor)

Ihr, die ihr Christi Namen nennt,
Gebt unserm Gott die Ehre!
Ihr, die ihr Gottes Macht bekennt,
Gebt unserm Gott die Ehre!
Die falschen Götzen macht zu Spott,
Der Herr ist Gott, der Herr ist Gott:
Gebt unserm Gott die Ehre!

9. Koor

So kommet vor sein Angesicht
Mit jauchzenvollem Springen;Bezahlet die gelobte PflichtUnd lasst uns fröhlich singen:Gott hat es alles wohl bedachtUnd alles, alles recht gemacht.Gebt unserm Gott die Ehre!

Op deze zondag Laetare een cantate vol eerbetoon en dankbaarheid. De cantate is niet voor deze zondag geschreven. We bevinden ons in de Veertigdagentijd, de christelijke Vasten; in Leipzig werd in die verstilde periode van muziek afgezien. Wij gaan daar niet in mee; we beluisteren een cantate waarvan niet duidelijk is voor welke gelegenheid ze werd geschreven. De cantate is waarschijnlijk gecomponeerd tussen 1727 en 1731; mogelijk is ze bedoeld om de nog incomplete serie koraalcantates van een eerdere jaargang (seizoen 1724-25) aan te vullen. In de lutherse traditie is de cantate veelvuldig gebruikt voor dankdiensten van allerlei aard.

De cantate is gebaseerd op een bestaand koraal. Gewoonlijk wordt in een koraalcantate de tekst van het eerste en laatste couplet van het koraal ongewijzigd gebruikt wordt voor respectievelijk het openings- en slotkoor. Vervolgens worden de binnenstrofen van het koraal bewerkt, zodat een nieuwe poëtische tekst ontstaat, ontdaan van het oorspronkelijke metrum en ritme en rijmschema, en zo beter geschikt om er in de muziek vrijelijk recitatieven en aria’s van te maken. Echter, in de koraalcantate van vanavond blijft de vrije poëtische bewerking achterwege: alle coupletten van het koraal blijven tekstueel intact. Het zijn de negen coupletten van het koraal ‘Sei Lob und Ehr dem höchsten Gut’ van de Frankfurter jurist Johann Jakob Schütz (1640-1690). Zijn koraal kreeg in de lutherse liturgie een vaste plek op de 7e zondag na Trinitatis, waarop het evangelie gelezen wordt van de wonderbare spijziging (Marcus 8:1-9). Naar lutherse traditie wordt vandaag, de 4e zondag in de Veertigdagentijd, eveneens over een wonderbare spijziging gelezen (Johannes 6:1-15). Midden in de woestijn van de Vasten blijkt er overvloed voorhanden. Het is de overvloed waarvan ook het koraal zingt (6).

Negen dankbare coupletten, die stuk voor stuk eindigen met de regel ‘Geeft aan onze God de eer!’ Wat is de aanleiding voor dat eerbetoon? De reden wordt nauwelijks geconcretiseerd. Lof en dank lijken niet zo ding-gebonden en niet al te afhankelijk van goede of slechte tijden. Het is of er zingend een onderliggende laag wordt aangeboord: de laag van de dank, die dieper zit dan de dagelijkse beslommeringen. Dankbaarheid overstijgt de afweging van wat mee- en tegenzit,  ze betreft een innerlijke houding waarmee je kunt vallen en opstaan.

Schütz heeft het in het eerste couplet van zijn koraal over God die wonderen doet. De wonderen blijken zich toe te spitsen op de troost, die in ons wordt gelegd en waardoor het beklag, het zelfbeklag, ophoudt.  Het tweede en derde couplet gaan over God als scheppende kracht. De kosmos is niet willekeurig en grillig, ze is schepping en doortrokken van genade. Dan volgen drie coupletten die vertellen dat wij niet aan nood en gebrek zijn uitgeleverd. Het lastige begrip ‘God’ krijgt de zegenende handen van een moeder (5) en de liefdevolle ogen van een vader (6). Een moeder bij wie ik vrede, een vader bij wie ik rust vindt. De laatste drie coupletten onderstrepen de lofzang die het hele koraal is: ‘ik’ ben een en al eerbetoon, heel mijn hele leven vertolk ik de lofzang die op alle plaatsen gehoord moet worden, mijn hele hart mag ervan opknappen en mijn geest en mijn lijf mogen zich verblijden (7). En ‘jullie’ allemaal, doe in de hulde aan die scheppende en helpende kracht mee en zet zo de valse goden, alles wat het leven naar beneden dwingt, te kijk (8). ‘Gebt unserm Gott die Ehre!’


Wat doet Bach met dit vaste gegeven van negen coupletten tekstmateriaal?

Hij zet het openings- en slotcouplet op dezelfde muziek. Zo ontstaat een muzikale omarming. Terwijl de sopranen in het openings- en slotkoor de koraalmelodie (die ontleend is aan het lied ‘Es ist das Heil uns kommen her’) rustig laten voortschrijden, zijn de instrumenten uiterst bewegelijk. Violen halen uit met lange streken. Zo wordt ruimte gecreëerd: de grote ruimte van een dansende lofzang op de bron van al het goede (de begeleidende koorstemmen gaan op ‘al het goede’ méér noten zingen).

Het vierde couplet (waarin vier keer achtereen het woord ‘danken’ klinkt) besluit de eerste cantatehelft. In de tijd van Bach werd vervolgens de preek gehouden, waarna de cantate werd voortgezet.

Van de resterende coupletten maakt Bach recitatieven en aria’s. De bas, de tenor en de alt krijgen elk één recitatief en één aria toebedeeld. Er is echter geen solistische partij voor de sopraan — mogelijk omdat in Leipzig op dat moment geen goede sopraan voorhanden was.

Natuurlijk doet Bach bijzondere dingen met woorden die om aandacht vragen. In de aria van de tenor (3) wordt Gods ‘koninkrijk’  uitgebreid verkend en gevuld met eerbetoon. Let ook op het woord ‘rust’ in de een na laatste regel van de basaria (6): de tekst heeft het over mensen die geen rust vinden, maar in de muziek is de rust al positief aanwezig; de muziek komt bijna geheel tot stilstand.

Bach doet ook telkens iets speciaals met de zin die alle coupletten besluit: ‘Gebt unserm Gott die Ehre!’

Uit de mond van het koor horen we die woorden zeven keer:

Nadat het ‘Gebt unserm Gott die Ehre!’ van het openings- en slotkoor één keer is gezongen, wordt de zin door de begeleidende koorstemmen nog twee keer herhaald. Dat maakt samen zes. Het koor zingt de woorden ook nog een keer in het koraalvers halverwege de cantate (4). In totaal zeven keer die ene lofzeggende regel. Zeven is het bijbelse getal van de volheid.


Echter ook de solisten zingen de regel ‘Gebt unserm Gott die Ehre!’ zodanig dat er zeventallen ontstaan:

In de eerste cantatehelft zingt de bas in zijn recitatief (2) vier maal de slotregel van het eerbetoon, in de aria van de tenor (3) klinkt de regel drie keer. Samen zeven keer.

In de tweede cantatehelft wordt ‘Gebt unserm Gott die Ehre!’ in beide aria’s (6 en 7) zeven keer herhaald. Om de aria’s heen liggen twee recitatieven: het recitatief van de alt (5), waarin ‘Gebt unserm Gott die Ehre!’ vier keer klinkt, en het recitatief van de tenor (8), waarin de herhaling al in de koraaltekst zelf aanwezig is, tot drie keer toe. Dus ook in de twee recitatieven samen is de oproep tot eerbetoon zeven keer te horen.


Zo schrijft Bach door zijn cantate de symboliek van het getal van de volheid en drukt hij op muzikale manier uit dat het gaat om de lofzang van heel het leven en heel het hart op alle plaatsen.

Een cantate die zelfbewust, rustig voortschrijdt en tevens danst en springt, met een uitdagende vrolijkheid tegenover wat telkens weer de klad in het leven brengt. Dankbaarheid als een daad van verzet: een geloofsdaad. Een passende cantate op weg naar Pasen — een weg door veel lijden, maar op de een of andere manier is iets ánders beslissend.


Henk Gols